Korenbloem
Och, jij bent echt een rare, Korneel-Korenbloem! Hoe kom jij toch aan dat malle hoofd van je? En nu ook nog een hond erbij? Heb je daar zelf al eens goed over nagedacht?
Mamaaa Korneel stond op het punt in huilen uit te barsten, terwijl hij het puppy stevig tegen zich aandrukte. Hij had het hondje net gevonden op de terugweg van school.
Het hondje was piepklein en jammerde zo zielig dat het kriebelde in je benen, net als wanneer je te lang in een koude sloot gezeten hebt. Het gevoel was verwarrend je wilde ervan huilen, gerustgesteld tegen het schort van je moeder duiken dat altijd een beetje naar zeep en gebakken ui rook, of juist hardop lachen, blij dat het hondje zo levendig was en zich trillerig tegen Korneels vieze, natte jas aanvlijde. Die jas zou hem ook nog op zn kop kosten, dat wist Korneel dondersgoed.
Marian, Korneels moeder, tilde het jankende beestje met twee vingers er vakkundig tussenuit.
Ga je handen wassen! Je weet niet wat je die allemaal voor ellende hebt opgelopen onderweg met dat beest.
Mam!
Wat?
Ga je hem wegdoen? Korneel keek haar met grote ogen aan, niet wetend wat hij nog kon doen om zijn vondelingetje te redden.
Ben je wel goed bij je hoofd? Marian schoot zo in de stress van Korneels vraag dat ze haast het hondje uit haar handen liet glijden het beestje had eerder dan Korneel in de gaten dat het hierbinnen veiliger was dan buiten. Zeg, waarom denk jij dat ik zon monster ben?
Sorry, mam! Korneels gezicht fleurde direct op. Ik dacht gewoon
Dat zie ik! En ben ik nou een ogre ofzo?! Het giet buiten! Ach joh, wat sta ik hier te zeuren. Jij bent helemaal nat! Zo word je ziek! Ze wees streng naar de badkamer. En nu hup, douchen jij schiet op, Korneel-Korenbloem.
Terwijl Korneel met grote passen over de lange, volgestouwde gang van het oude ammonietenhuis verdween, dacht Marian met lichte wanhoop aan haar buren en wat die ervan zouden vinden, nóg een beest in huis.
Mevrouw van Leersum, altijd perfect in het rode, passend bij haar felgestifte lippen, zou haar lippen stijf op elkaar drukken en met haar zware, door rook geteisterde stem brommen:
Dat kind van jou, Marian, daar moet je echt wat strikter in zijn! Hij zorgt voor onrust!
Mijnheer Pastoor, de gepensioneerde machinaal-ingenieur, zou Korneel met een knipoog streng toeroepen:
Als ik ook maar één plasje terugvind, dan mag jij, Korneel, de vloeren poetsen het hele jaar lang!
Tante Trees, altijd vrolijk, zou eerst het hondje platknuffelen en dan Korneel over zijn haren aaien:
Je bent een goed joch, Korneeltje! Een groot hart heb je. Koester dat, jongen, dat kom je niet vaak meer tegen.
Marian zuchtte, keek even schuin naar de gesloten deuren van haar buren, en streelde met twee vingers het mollige koppie van het rustiger geworden hondje.
Kom, jij boef, we gaan je wassen! Zeker weten dat jij helemaal onder de vlooien zit. Nou ja, één probleem erbij.
Het beestje, alsof hij begreep dat dit geen straf was, begon enthousiast te trappelen en Marian moest hem beter vastpakken.
Waar denk jij heen te gaan? Dommerik! Je moet een beetje indruk maken straks je mag hopen dat ze je laten blijven!
Ze liep haastig naar de badkamer, waar Korneel nog altijd rondhing. Ze keek tevreden naar het teiltje warm water en het stukje zeep dat haar zoon al had klaargelegd.
Je wordt groot, gast, zei ze. Ga eens gauw dat gele handdoek halen, je weet wel, die oude van je.
Die mam altijd gebruikte als ik klein was?
Ja, die! En snel voor mevrouw van Leersum straks thuiskomt!
Moeten wij straf krijgen, mam? vroeg Korneel onzeker.
Weet ik niet, schat. Hopelijk niet! Maar je gaat straks zélf het gesprek aan. Duidelijk?
Korneel knikte, maar bibberde.
Ik ben bang, mam.
Snap ik. Maar mevrouw van Leersum woont hier ook. Je had eerst moeten vragen voor je ineens met een hond kwam aanzetten. Nu moet je het uitleggen.
En als ze nee zegt?
Dan zul je haar moeten overtuigen. Wie iets meebrengt, moet er ook voor zorgen. Die verantwoordelijkheid is nu voor jou.
Het hondje genoot van het warme water en likte voorzichtig de handen van Marian, terwijl ze de grijze smurrie uit zijn vacht haalde. Onder het vuil kwam een witte vacht tevoorschijn; het arme beestje had zich op straat onherkenbaar vies gespeeld, zoekend naar een moeder die nergens meer te vinden was.
Zo, klaar! Marian wikkelde het hondje in het gele doek en gaf het aan Korneel. Hop, drogen maar. Ik ga jouw wolfje wat warme melk opwarmen hij zal wel uitgehongerd zijn.
Korneel huppelde weg, en Marian leegde het badje. Vervolgens ging ze even zitten op de rand van het bad en ineens liepen de tranen haar over het gezicht.
Misschien door de blik van haar zoon, misschien door het warme mollige lichaampje van het pupje, misschien uit die typisch moederlijke mededogen voor alles wat leeft. Ze dacht terug aan de dag dat zij als jonge vrouw, nauwelijks volwassen, met haar kleine kind in haar armen, voor het eerst in deze woning stond, gevlucht naar haar verre tante Lies, de enige familie die haar welkom heette.
Wat komt er nou aan? Mevrouw van Leersum was ook toen al een geroezemoes van een mens, de onbetwiste koningin van het huis aan de Herengracht. Wie ben jij dan? Wat heb jij daar voor pakje bij je? Babies, dat missen we nog net!
Och, die is voor mij! Tante Lies kwam op haar af. Geen nauwe familie, ze kenden elkaar nauwelijks, maar Marianes moeder nam haar elke zomer mee naar tante Lies om haar eraan te herinneren dat iedereen familie nodig heeft. Ze is eenzaam, naast ons heeft ze niemand, dus wees maar een beetje lief, Tan. Je weet niet wat je eraan kunt hebben.
Toen ze als zestienjarige hoorde dat ze zich haar toekomst moest voorstellen, had zij gehoopt dat ze naar de stad mocht, naar tante Lies, om te studeren. Maar haar moeder had andere plannen:
Niet nodig, jij hoeft niet naar de stad. Je kan later nog wel, als je gaat trouwen. Misschien kun je dan werk zoeken op de boerderij. En kijk om je heen, genoeg leuke jongens in het dorp.
Maar mam, ik wil niet trouwen!
Jou vraagt niemand om toestemming, meisje! Wat is dat nou voor praat? Anders word je net zon oude vrijster als tante Lies!
Het lot besloot echter anders: haar moeder regelde een huwelijk voor haar met haar jeugdvriend Maarten. Het leek haar wel gezellig, maar het huwelijk bleek geen succes. Maarten zocht vermaak buiten de deur en was niet thuis als Marian zwanger werd. Uiteindelijk fluisterde het hele dorp over zijn streken, en Marian stond er alleen voor.
Zelfs haar eigen moeder gaf haar geen steun toen Marian in tranen haar ontrouwe echtgenoot verklikte:
Wat wil je dan bereiken? Je hebt alles wat je nodig hebt. Huis, kind de rest is bijzaak!
Marian voelde zich leeg op dat moment. Ze begreep dat niemand haar leven voor haar zou oplossen, dat ze zelf haar weg moest zoeken, haar zoon anders moest opvoeden dan Maarten het voorbeeld gaf: trouw, met verantwoordelijkheid.
En als moeder haar huis niet wilde delen, was haar enige hoop tante Lies. Die ontving haar met open armen:
We regelen de inschrijving wel, dan mag Korneeltje naar de crèche en kun jij straks werken. Het komt goed, kind!
En Marian deed het op haar manier: s avonds boende ze de trappenhuizen van de grachtenpanden, terwijl tante Lies op haar zoon paste. Na een jaar begon ze eindelijk aan haar toegewezen studie. Ze werkte hard, klom hogerop en werd spoedig gerespecteerd op haar werk.
De drie buren in het huis van tante Lies waren markante figuren. Mevrouw van Leersum, de vrouw-donderwolk en geoloog in ruste, was uitgesproken; Pastoor, een stille knutselaar met een kras verleden in de liefde; en Trees, bezige schilderes, altijd met de wind mee en een droom van haar eigen gezin.
Het huis aan de Herengracht was een theater van meningen, waar Korneel als rustig kind steeds zijn weg vond tussen dozen, schilderkwasten, en oude kisten; waar hij ooit per ongeluk Trees deur in een kleurenpracht beschilderde, haar daarmee aan het lachen kreeg en direct tot straf zijn kunst niet mocht herhalen. Maar diezelfde Trees had het oog en talent van Korneel al door en spoorde Marian aan om hem naar de tekenschool te brengen.
Korneel werd aanvaard door zijn buren als een van hen, en zo groeide hij op tussen de warmte van omstanders, zorg en mild gekibbel.
De dag dat Korneel met zijn vondeling naar huis kwam, waren de reacties divers.
Tsja, weer wat nieuws! verzuchtte mevrouw van Leersum, maar stiekem knuffelde ze het hondje en verklaarde meteen dat voortaan zíj de avondwandelingen met deze viervoeter zou maken. Pastoor kocht de volgende dag een prachtige halsband.
Trees had eindelijk geluk in de liefde en had nauwelijks oog voor de puppy, terwijl tante Lies bij thuiskomst enkel streng waarschuwde: Jij bent verantwoordelijk, jongen! Houd dat in gedachten!
Vele jaren later zou men in de studio van Korneel, inmiddels een gevierd schilder, een schilderij zien van een witte, pluizige hond met een groep mensen eromheen. Vragend keken zijn leerlingen hem aan.
Wie zijn die mensen?
Zij waren degenen die werkelijk begrepen wat liefde is. Ze leerden me wat ik weten moet over het leven.
En dat is?
Drie dingen. Je moet houden van degenen bij je, je moet altijd verantwoordelijkheid nemen voor je eigen daden
En het derde?
Gebruik nooit olieverf als aquarel ook kan. Dan lacht Korneel, wijst naar buiten, naar de grachten van zijn jeugd: Aan het werk nu, jongens! De wereld wacht op jullie talent.
En wat als het niet lukt, meester?
Dan leer je vanzelf dat je nooit op moet geven. Alleen wie blijft zoeken, zal slagen. En geloof me ik geloof in jullie zoals ooit in mij werd geloofd. Het lukt je. Echt waar!
Zo groeit ook in de oude stad, tussen grachten, schilderijen en honden, het mooiste: het geloof in jezelf en de ander. Want wie voor een ander zorgt, vindt altijd zijn eigen kracht terug.





