Jij bent mijn wonder.
Anneke liep door de straten van Amsterdam zonder nog om zich heen te kijken. In haar hoofd spookten alleen nog de woorden na: Het spijt me, het is helaas te laat… We kunnen niets meer doen… U moet uw zaken op orde brengen… Pijnstillers… Het is jammer… Alleen een wonder… De woorden van de arts bulderden door haar heen als een plotseling onweer op een ogenschijnlijk heldere dag. De diagnose was onverwacht hard en genadeloos, ondanks het feit dat het altijd slinkse genoemd werd.
Deze stille vreter had zich ongemerkt toegang verschaft, misschien wel in het jaar dat Anneke niet werd aangenomen op de geneeskundeopleiding, haar droom uiteen gespat als een zeepbel. Of misschien toen haar moeder, toen ze achter het huis op de stoep was uitgegleden, drie uur in de kou lag en een paar dagen later zacht heen ging zonder haar ooit te groeten. Of misschien… misschien…
Er zijn zoveel van die misschiens, dacht Anneke bitter. Wat nu precies de aanleiding is geweest, zal ze vermoedelijk nooit weten.
Uw zaken op orde brengen, galmde het door haar hoofd. Maar wat voor zaken? Geen kinderen, geen vermogen, niemand waar ik wat aan verschuldigd ben. Alleen wachten. Wachten… op een wonder…
Anneke had niet eens door dat haar wangen nat waren van de tranen. Ze veegde ze machinaal weg met de achterkant van haar hand. Ze liep door de hekken het terrein van het ziekenhuis af, langs de lange bomenlaan met hun machtige kastanjes die diepe schaduw wierpen. Ze naderde de straat, het verkeer raasde voorbij. Iedereen leek haast te hebben.
Iedereen is onderweg om te leven, en ik…, zuchtte Anneke met spijt.
Plots overviel haar een loodzware vermoeidheid, haar hart bonsde wild en ze moest zich vasthouden aan een dikke boom. Een minuut, twee, drie, haar hartslag werd weer rustig. Er kwam een taxi aan. Naar huis, naar huis. Daar de vertrouwde muren, de herinneringen, de fotos.
Aan de overkant begon het Amsterdamse bos, waar Anneke woonde. De nieuwbouw had dit oude stukje stad nog niet bereikt en het rook hier naar frisse lucht: berken, sparren, dennen. Gras en struiken, paddestoelen. Anneke zwierf er graag, het bos gaf haar kracht en bracht mist, vogelzang, spinnenwebben die glinsterden in het licht.
Ook vandaag besloot ze weer een wandeling te maken. Ze deed haar regenjas aan, de hemel trok dicht en fijne motregen viel neer. Het bos begroette haar met een diepe stilte, alsof de natuur zich inhield, wachtend op onweer. Zelfs de muggen lieten zich niet zien.
Ze dwaalde, bocht na bocht, tot ze niet meer wist waar ze precies was. Een beklemmend gevoel kroop omhoog uit haar borst. Wat maakte haar zo nerveus? Ze stopte en tuurde in de diepte van het bos. Ergens bewoog iets kleins, een vorm die nauwelijks herkenbaar was.
Aarzelend liep Anneke erop af. Ze gaf een schrik: Wat is dat? Oh… een hond… kreunend lag er een hond smerig, uitgemergeld en met een touw vastgebonden aan de boom. Haar handen deden pijn van het lospeuteren van de natte knopen. Toen de hond eindelijk los was, zag Anneke een grote zwelling in de lies, zo groot als een vuist. Ze leunde tegen de boom en begon onbedaarlijk te huilen, zwarte strepen van modder over haar gezicht trekkend.
Nadat ze zichzelf weer bij elkaar had geraapt, ging Anneke door haar knieën en sprak zacht tegen de hond, die alleen maar zacht kreunde. Kracht om haar ogen te openen had het dier niet meer.
Anneke trok haar regenjack en vest uit, maakte een deken en wikkelde de hond er voorzichtig in. Het lichaam was licht als een veertje. Ze holde naar de stad.
De dierenarts keek verbaasd, stelde geen vragen verder. Bloedtesten, echo, röntgen alles doen, ik wil haar helpen, fluisterde Anneke nog, waarna ze bijkans flauw viel op de behandeltafel.
De hond bleef achter in de kliniek. Anneke ging mat naar huis.
De volgende ochtend stond Anneke weer bij de ingang van de kliniek. De dierenarts kwam haar tegemoet. We weten nog niet veel, het gaat zeker wat dagen duren om haar op te kalefateren en goed te onderzoeken. Maakt u zich geen zorgen, ze is hier veilig. Oh, trouwens, wist u dat het een rashond is, en dat ze een chip heeft?
Nee, zei Anneke, ik vond haar, helemaal alleen, vastgebonden aan een boom.
Er staat een slecht leesbare code in haar chip, maar we weten bij wie ze hoort. De jonge arts overhandigde Anneke een papiertje met een nummer. En mijn eigen nummer staat er ook op. De beheerder heeft uw gegevens.
Anneke zat de hele dag bij haar nieuwe viervoetige vriendin. Ze aaide haar, fluisterde zachte woorden. De hond lag er apathisch bij voelde niets voor eten, voor de prikken, zelfs niet voor Annekes liefdevolle hand.
Ze wil niet meer leven, fluisterde de dierenartsassistente haar toe, ze is verraden, dat kun je voelen. We hebben gebeld met het nummer van de chip… ze ontkennen maar wat: Wij hebben nooit een hond gehad…
Uiteindelijk waren de uitslagen binnen. De arts vroeg of Anneke na werktijd wilde komen.
Ik draai er niet omheen, het is een verloren zaak, de situatie is uitzichtloos. Bovendien wil ze niet meer vechten. Alleen als er een beetje hoop is, als ze wil eten en drinken, als ze liefde voelt… misschien… maar dat vraagt echt om een wonder. Hij sloeg zijn ogen neer. Het went nooit, elke hond is er één te veel.
Laten we het toch proberen, greep Anneke wanhopig zijn hand. Misschien gebeurt er een wonder.
Vanaf de vroege ochtend zat ze bij de hond, die met de minuut kwijnde. Anneke huilde, fluisterde zachtjes, kriebelde haar achter de oren, probeerde haar troost te geven, zocht contact met die doffe hondenogen.
Als jij doodgaat, ga ik ook dood, hoorde de verpleegster haar snikken. Ze draaide zich snel om, snufte even.
Plots voelde Anneke een zwakke tong haar hand likken. Ze schoof een bakje water dichterbij.
De operatie duurde uren. Uiteindelijk kwam de arts moe maar opgelucht. Het is goed gegaan, maar ik kan niks garanderen. Ze slaapt nu, maar het is beter als u bij haar bent als ze wakker wordt. Mogelijk, heel misschien, heeft er vandaag een wonder plaatsgevonden.
Anneke noemde de hond Wonder, in het Nederlands: Wondertje. De nazorgperiode was zwaar: prikken, medicijnen, wachten op herstel. Nachtenlange zorgen, hoop en vrees.
***
Vier maanden gingen voorbij. De herfst kleurde het Vondelpark rood en geel. Anneke en Wondertje maakten lange wandelingen. De hond wist nu dat ze niet opnieuw verlaten zou worden en begon Anneke steeds meer te vertrouwen. Maar Anneke dacht angstig aan wat er met Wondertje zou gebeuren als haar eigen ziekte haar toch zou verslaan.
Ze begon stilletjes te zoeken naar een warm huis voor Wondertje. Er was een afspraak gepland, iemand kwam kennismaken. Anneke vroeg of dat s avonds kon, want s ochtends moest ze zelf naar het ziekenhuis voor haar controle-uitslagen.
Morgen hoor ik de waarheid. Ik ben zo bang… Maar het moet. Wondertje moet wennen aan nieuwe mensen, als het nodig is. God, wat ben ik bang…
Na een slapeloze nacht was ze lusteloos, alleen Wondertje hield haar op de been. De verpleegkundige nodigde haar uit naar het kantoor van de hoofdarts.
Uw uitslagen verrassen me, Anneke, sprak de oncoloog met een warme stem. Het komt weinig voor, maar het lijkt erop dat uw lichaam op eigen kracht vooruitgang heeft geboekt. U bent in remissie. Wij houden u goed in de gaten, maar u heeft alle reden tot hoop. We feliciteren u van harte! Het is echt een wonder.
Thuis werd Anneke besprongen door een dolblije hond. Wondertje sprong op, kwispelde alsof ze wilde zeggen: Waar was je nou? Ik was ongerust!
Anneke liet zich op haar knieën zakken en kuste de zachte snuit van haar hond.
Wondertje, jij bent mijn wonder! Jij bent mijn Wonder! Nog lang zaten ze samen op de vloer, omarmd.
Is er een groter geluk dan beseffen dat het universum ons tijd schenkt en wij elkaar liefde?






