Jenneke liep, zonder op de weg te letten. In haar hoofd klonken alleen de woorden: “Het spijt me, he…

Janna liep zonder echt op de weg te letten. In haar hoofd klonk het alleen maar: Het spijt me, te laat we kunnen niets er valt niets meer ik kan u niets beloven, maar u moet uw zaken op orde brengen pijnstilling het spijt me alleen een wonder
De woorden van de arts sloegen in als een donderslag bij heldere hemel, de diagnose was onverwacht hard, luid, genadeloos. En toch noemt men het de stille sluiper.
Die sluipende eter kroop ongemerkt haar leven binnen. Misschien al in dat jaar waarop Janna niet werd toegelaten tot de geneeskundeopleiding, en haar droom uiteenspatte als een zeepbel. Of misschien toen haar moeder, uitgegleden achter het huis, urenlang buiten in de kou lag, en vervolgens, zonder nog bij bewustzijn te komen, na enkele dagen stil heenging. Of misschien misschien
Al die misschiens, dacht Janna, het zijn er zo veel. Wat nou de daadwerkelijke trigger was, wist niemand.
– Zorg dat u de boel op orde hebt, galmde het nog na in haar hoofd. Wat valt er nou op orde te brengen geen kinderen, geen fortuin, geen schulden. Niemand hoeft nog iets van mij. Alleen nog wachten, wachten alleen een wonder
Janna merkte niet hoe de tranen stil over haar wangen liepen; haast gedachteloos veegde ze ze met de rug van haar hand weg. Ze was inmiddels het ziekenhuis uitgelopen, doorgelopen over het lange laantje waar enorme platanen diepe schaduw gaven. Even verderop lag de straat, waar autos voorbijraasden. Iedereen leek haast te hebben.
– Iedereen heeft haast om te leven, en ik – zuchtte ze verdrietig.
Opeens overspoelde haar moeheid, haar hart bonkte hard, en ze stopte om steun te zoeken bij een dikke boomstam.
Een minuut, twee, drie haar hartslag werd rustiger. Daar was de taxi al. Naar huis, naar huis. Daar wachten de muren, herinneringen, fotos.
Schuin tegenover haar flat begon het bos. Hier waren de nieuwe flats nog niet doorgedrongen en ademde de oude wijk frisse lucht berken, sparren, dennen. Gras, struiken, paddenstoelen. Janna genoot van haar wandelingen in het bos, waar ze nieuwe energie vond, waar mist hing, vogels zongen en spinnetjes webben spanden tussen de takken.
Ook vandaag besloot ze een stukje te wandelen. Ze trok haar regenjas aan; de lucht betrok, er viel al wat motregen. Het bos begroette haar met onverwachte stilte. Alsof de natuur afwachtte op onweer, zelfs de muggen waren verdwenen.
Janna liep door, bocht na bocht. Zonder dat ze het in de gaten had, was ze diep het bos in gegaan. Plots bekroop haar een onbehaaglijk gevoel, iets zwaars bewoog in haar binnenste. Ze bleef staan, luisterde, naar de wereld of naar zichzelf dat wist ze niet. Er was iets wat haar verontrustte.
Ze keek aandachtig om zich heen. Zocht wat haar had doen schrikken.
In de diepte, een paar meter van het pad, zag ze een hoop liggen, die haast onmerkbaar bewoog. Heel even hoorde ze dacht ze een zachte kreun te horen.
Met twee grote stappen stond Janna bij de hoop.
– Wat is dat? Ah, een hond! riep ze uit.
Onder een boom lag een hond, vies en uitgemergeld, vastgebonden aan de stam. Terwijl Janna haar vingers openhaalde aan de natte knopen, probeerde ze de hond los te maken. Eindelijk lukte het.
Toen ze het dier goed kon bekijken, sloeg haar schrik om in verdriet de hond had een enorme tumor in haar lies, zo groot als een vuist. Janna leunde tegen de boom en greep naar adem, snikkend, terwijl het regenwater en de tranen samen donkere sporen over haar gezicht trokken.
Toen ze wat rustiger was, hurkte Janna neer en probeerde ze zachtjes met de hond te praten, maar het enige antwoord was zacht gekreun. De zieke hond was te zwak om haar ogen te openen.
Janna trok haar regenjas en sweater uit, maakte er een deken van, en legde voorzichtig het hondje erin. Het beestje was bijna gewichtloos. Ze rende terug naar de stad.
De dierenartsen waren stomverbaasd bij het zien van de hond, maar stelden geen lastige vragen.
– Bloedonderzoek, echo, röntgen, doe alles wat nodig is maar, ik wil haar helpen, – fluisterde Janna, waarna ze op de onderzoeksbank direct flauw viel.
De hond bleef voor onderzoek in de kliniek, Janna werd naar huis gestuurd.
De volgende ochtend stond Janna alweer bij de poort van de kliniek. Een jonge dierenarts kwam haar ophalen: het was nog te vroeg voor conclusies, de hond moest eerst aansterken, het onderzoek zou een paar dagen duren.
– Maakt u zich geen zorgen, hier zal zij goed verzorgd worden. Wist u trouwens dat de hond een naam en een stamboom heeft?
– Geen idee, ik heb haar vies en ziek in het bos gevonden, vastgebonden aan een boom.
– Ze heeft een slecht leesbaar chipnummer. Wij zijn erachter van wie ze is. De jonge arts gaf Janna een briefje met cijfers.
– Hierop staat ook mijn telefoonnummer. Uw contactgegevens zijn bij de receptie bekend. Zodra we meer weten, bel ik u.
Janna bleef bij het dier zitten tijdens het infuus, streelde haar vacht, fluisterde zachtjes in haar oor. De hond lag alleen maar, reageerde niet op prikken, niet op knuffels, niet op eten.
– Die wil niet meer leven, – fluisterde de verpleegkundige. Zon verraad is zwaar. We hebben gebeld, ze zeiden: Nooit van een hond gehoord.
Intussen kwamen alle uitslagen binnen. De chirurg belde Janna: of ze die avond na zijn dienst kon komen.
– Ik zal maar meteen eerlijk zijn het ziet er zeer zorgelijk uit, haast hopeloos. Vooral omdat het dier niet meer wil leven. Als ze nog hoop had, zou eten en drinken, en kon rekenen op de liefde van een baasje, dan konden we een poging wagen. Maar zelfs dan het zou een wonder moeten zijn – hij zweeg even. Zoveel heb ik er al onder mijn handen gehad, en elke keer breekt het weer
– Laten we het proberen, – zei Janna en greep zijn hand. Misschien gebeurt er een wonder.
s Morgens zat Janna weer naast de hond, die zienderogen achteruit ging. Janna huilde, fluisterde tegen haar, streelde haar hoofd, krabde haar achter de oren, hield haar snuit vast, probeerde contact te maken met de troebele ogen.
– Als jij sterft, sterf ik ook, – hoorde ze zichzelf mompelen.
Ze draaide zich om, leunde met haar rug tegen de muur, ogen dicht, tranen over haar gezicht. De verpleegster keek snel weg, haar neus snuivend.
Toen voelde Janna een zwakke lik over haar hand. Ze schoof een bakje water dichterbij.
De operatie duurde inmiddels drie uur. Janna wachtte. Eindelijk kwam de vermoeide chirurg naar buiten.
– De operatie is technisch gelukt, maar garanties kan ik niet geven. De hond slaapt nog, maar als u straks bij haar bent als ze bijkomt, is dat het beste. Misschien is vandaag het wonder gebeurd laten we dat hopen.
Het herstel van het hondje dat Janna Marvel had genoemd, wonder was zwaar. Koorts, medicijnen, nachten zonder slaap, prikken, prikken en nog eens prikken.
Vier maanden gingen voorbij. De herfst was op zn hoogtepunt. Janna en Marvel wandelden nu urenlang samen door het bos. Marvel begreep dat het deze keer anders was; ze raakte steeds meer aan haar nieuwe baasje gehecht. Maar Janna zelf
Janna dacht met angst: wat gebeurt er met Marvel als haar eigen ziekte wint? Ze begon een gezin te zoeken voor Marvel. De kennismaking was al gepland.
Op de ochtend van de afspraak moest Janna eerst naar het ziekenhuis haar eigen uitslagen waren binnen.
– Morgen weet ik de waarheid. Ik ben bang, maar het moet. Ik moet zorgen dat Marvel aan haar nieuwe mensen kan wennen. Lieve help, wat is dit eng
Na een slapeloze nacht voelde Janna zich uitgeput, alleen haar hond hield haar op de been.
De verpleegkundige riep haar bij de chef van de afdeling.
– Weet u, uw uitslagen verbazen mij, – zei de zachte stem van de oncoloog Dit gebeurt zelden, maar het lijkt erop dat uw lichaam veranderingen heeft doorgemaakt. Positieve veranderingen u bent in remissie. U zult onder periodieke controle blijven. Hopelijk knapt u ook snel geestelijk op. Mijn felicitaties! Je zou bijna denken aan een klein wonder.
Thuis werd Janna opgewacht door een blije Marvel. Ze piepte, kwispelde met haar staart, alsof ze wilde zeggen: Waar was je zolang? Ik maak me zorgen!
Janna zakte op de grond en knuffelde haar lieve hondenkop.
________
– Marvel, jij bent een wonder! Mijn Wonder! En zo zaten ze samen, nog heel lang, op de grond omhelsd.
Is er een groter geluk denkbaar dan te beseffen dat het universum ons tijd geeft, en dat wij elkaar liefde geven?

Rate article