13 oktober 2025
Vandaag zat ik in de wachtkamer van de cardioloog in het ziekenhuis van Hilversum, toen er een onbekende naast me ging zitten. In plaats van het alledaagse goedemorgen boog hij zich een beetje voorover en vroeg: Heb je ooit een klimcursus gedaan in de Veluwe? Ik herken de kleine litteken naast je rechterwenkbrauw
Mijn keel voelde plots dikker, als een stroperige nevel. Die dunne streep, die ik normaal bijna niet in de spiegel zie, pijnlijk als een verse snijwond. De geur van desinfectiemiddel, het zacht geruis van de waterkranen, het hoesten en gesmoord van de mensen om ons heen alles zwijgt. Alleen zijn stem en de zomerse zon van die augustusdagen blijven over.
Klimaatcursus, 1984? stelde hij voorzichtig, alsof hij een puzzel legde. Ik knikte. Het litteken is een souvenir van een val op een rots bij de waterval van de Kluivereen klein snijwondje, maar het bloed stroomde als een rivier, en een jongen met een rode plastic pistool plakte een pleister erop en tekende er een lachende smiley op.
Altijd vertelde ik mijn kinderen over dat vriendelijke gebaar van een vreemde. Ik noemde nooit dat ik later tijdens de rest van de week steeds naar die rode pistool keek, op zoek naar hem.
Jeroen stelde hij zich nu voor, alsof hij de zin van veertig jaar geleden afmaakte. Hij had dezelfde scheve lach, dezelfde verlegenheid verborgen achter een grapje. De rimpels rond zijn ogen verdiepten het gevoel dat wat er toen gebeurde geen bittere, maar een warme indruk achterliet. Hij schuift een beetje dichterbij, let op mijn tas. Ik zag de litteken toen je je bril optrok. Ik dacht: als jij het niet bent, speelt het lot gewoon een grap.
Ik haalde diep adem en zei: Die pleister met de smiley. Hij lachte, zoals we destijds bij het kampvuur deden, zingend de liedjes die heel Nederland kende. Door het raam van de wachtkamer keek ik op de looppiste, de schommelende eiken, de oktoberwind.
De verpleegster, met haar haar in een knot, rolde namen op, een balpen tikte op een lijst. Alles verliep in gewoon ritme, maar ik voelde dat de wereld een bocht had genomen en terugkeerde naar een plek waar we ooit in de andere richting waren gedraaid.
We spraken fluisterend, alsof we herinneringen niet te hard wilden wekken. Hij vertelde dat hij die zomer na de cursus met zijn ouders naar een andere stad verhuisde, zonder afscheid. Hij schreef een brief, maar vond nooit het adres.
Ik sprak over de eindeloze wachttijden bij het prikbord, over mijn studie, werk, huwelijk, kinderen. Het leven werd een lijst met taken. De rode pistool was verdwenen, alleen het litteken bleef.
Iemand heeft een bestandje met de testresultaten bij de receptie achtergelaten! riep iemand bij de deur en de geluiden van schuivende stoelen, papieren bekertjes, haastige stappen kwamen terug als een inkomende vloed. Ik merkte dat Jeroen een doorverwijzing voor een echo in zijn hand hield.
Artritmie, mompelde hij half-grappend. Misschien door de Veluwe, misschien door de herfst, of omdat we na veertig jaar nu ineens naast elkaar zitten. Mijn mondhoeken bewogen zonder dat ik het wilde.
Hij vroeg of ik nog steeds van wandelingen hield, of ik mijn favoriete paden had, of ik nog steeds thee met citroen en honing dronk, zoals vroeger. Ik beantwoorde zorgvuldig, probeerde niet te veel te tonen, maar nam zijn aanwezigheid op alsof het de warmte van een hand in een koude dag was.
We herinnerden onze tenten, het vocht in de slaapzakken, de aardrijkskundeleraar die de windstreken door elkaar haalde, en die groepsfoto waarop ik knipperde. Ik herinnerde me niet dat hij toen naast me stond, maar hij wel.
Plots vroeg ik: Waarom kwam je die avond niet bij me langs? In de Veluwe. Hij haalde zijn schouders op. Ik was bang dat je mijn naam niet zou herinneren. Voor een achttienjarige was dat het einde van de wereld.
Ik wilde zeggen dat ik niet alleen zijn naam, maar ook de geur van zijn jas en het tellen tot drie voordat het kaarslicht in een potje doofde, nog steeds herinnerde. Ik hield die woorden voor mezelf, als een Augustusherinnering.
De verpleegster riep zijn achternaam. Hij stond op, keek nog even terug en vroeg: Als je het niet raar vindt zullen we ooit samen thee drinken? Met citroen en honing, zoals na het afdalen van de Groene Berg?
Met een vinger wees hij naar de tafel met folders, alsof tussen de adviezen over cholesterol en de oproep tot beweging een plek was voor een telefoonnummer. Plots zag ik een ring op zijn vinger dun en simpel. Ik keek naar de mijne, een koele glans onder de fluorescerende lampen. Hij fronsde. Stel ik te veel? zei hij haast. Ik weet niet wat mag en wat niet.
Je mag wel herinneren, fluisterde ik, een beetje te zacht. En later zien we wel wat er gebeurt.
Hij verdween achter de witte deur van de spreekkamer, en ik bleef achter met het tikken van de klok en het geritsel van mijn pantoffels. Ik nam een van de folders en noteerde op de achterkant een telefoonnummer. Voordat ik de kaart in mijn tas kon stoppen, werd ik opgeroepen.
De arts, met een vrolijke stem en koele handen, luisterde, noteerde, knikte. Het hart klopt gelijkmatig, voor uw leeftijd zeer goed, zei hij toen hij de stethoscoop neerlegde. Ik dacht aan hoe hartkloppen dubbelzinnig zijn: ze kunnen gezond zijn en toch onverwacht.
Ik verliet het kantoor als eerste. De wachtkamer was bijna leeg, de lichten van de ECGapparaten flitsten als ministerren. Ik ging weer zitten op dezelfde stoel, naast mijn tas, alsof die beweging de tijd een paar minuten kon terugdraaien en de toekomst dichterbij kon brengen.
Ik staarde naar de deur van de spreekkamer, een mengeling van rust en spanning. Kan één gesprek in een wachtkamer echt een afgesloten levensverhaal herschrijven?
Mijn telefoon trilde; een onbekend nummer. Ik zette het op stil voordat ik kon opnemen. Ik vouwde de folder met mijn nummer dubbel, nog een keer, als een papieren kraanvogel die nooit zal vliegen. Boven het registratiebalie liep een televisie met een weerbericht: een koude front, regen in de bergen. Ik glimlachte bij het woord bergen, alsof het zelf een boodschap was.
Jeroen kwam na een moment terug, met een map en een glimlach die niet alleen beleefd leek. Ik liep twee stappen, stand stil. In mijn hand lag het kleine, gevouwen briefje. Onze blikken kruisten zoals destijds over die pleister.
In één seconde kwam alles tegelijk: de kinderen die ik leerde los te laten wat je niet kunt hebben; mijn vrouw die al jaren op de linkerkant van ons bed slaapt; een wereld die niet houdt van plotseling jong worden, terwijl de leeftijd zo hardnekkig is als een kalender. En die gedachte die ik niet hardop uitspreek: soms wordt toeval de sleutel tot een deur die we nooit hadden gepland te openen.
Onze handen raakten elkaar. Het briefje gleed tussen onze vingers en viel op de stoel naast ons. Het zweefde tussen ons als een slinger. Het licht weerkaatste op onze ringen. Even zakten we niet naar beneden.
Ik moet gaan, zei hij. Ik ook, antwoordde ik. We knikten, als oude kennissen die weten dat er woorden lichter dan stilte en zwaarder dan beloftes bestaan.
Ik draaide me om, hij naar de receptie. Het briefje lag nog op de stoel, een witte vlek op het marineblauwe leer, net als de pleister die ooit op mijn voorhoofd lag.
Thuis, voor de spiegel, strijkte ik zacht over de litteken. Een dunne streep, maar hij kan je in één seconde terugvoeren naar een augustus vier decennia geleden. s Avonds zette ik thee met citroen en honing. De stoom kringelde intens, als een herinnering die telkens terugkeert. Mijn telefoon lag met het scherm naar beneden op de tafel; ik keek niet of er gebeld was.
Ik weet niet wat er vandaag echt gebeurde: een toevallige ontmoeting of een generale repetitie voor iets dat pas kan beginnen als we tien jaar jonger of een stukje moediger waren.
In mijn tas vond ik bij het afsluiten van de dag de uitgekrulde folder met een schema van een gezond hart, en een dunne inktstreep van een pen die het papier doorboorde. Er ontbrak nog één gebaar. Misschien draait het in ons levensverhaal wel om dat ene gebaar: een beetje te veel of te weinig.
**Les van de dag:** soms is een kleine blik, een vergeten litteken, of een onverwachte vraag genoeg om ons te laten beseffen dat het verleden nooit echt weg is; het wacht alleen op een nieuw gesprek om weer tot leven te komen.






