Ik liet mijn vriendin niet binnen toen ze uit huis werd gezet. Heb ik daar spijt van?

Toen ik een kind was, beschouwde ik Lonneke als mijn beste vriendin. We woonden naast elkaar in Breda, speelden samen, zagen elkaar bijna elke dag. Hoewel we op verschillende basisscholen zaten, maakte dat ons niets uit. Als onze ouders op hun werk waren, gingen we bij elkaar thuis langs en deden alsof we een rockband waren met potloden trommelden we op borden en glazen. Later, toen we wat ouder werden, veranderden onze interesses een beetje en gingen we samen naar discoavonden in het buurthuis, waar we jongens leerden kennen.

Lonneke was altijd wat impulsiever, en op haar achttiende trouwde ze met haar geliefde. Ze trok bij haar ouders in, samen met haar man, en kreeg een dochter. Zo werd ik tante. We hielden goed contact, maar onze levens liepen steeds verder uiteen: Lonneke had een gezin, ik zat op de universiteit in Amsterdam.

Toen ik ergens in de twintig was, vertelde Lonneke me over een droomachtig huisprobleem: haar ouders hadden ruzie over geld. Haar moeder bracht haar salaris mee naar huis, stopte het weg, en plots was het spoorloos verdwenen. Iedereen wantrouwde elkaar de moeder dacht aan haar schoonzoon of man, maar uiteindelijk biechtte Lonneke in haar slaap aan mij op dat zij het geld had gepakt. Ze zag daar een stapeltje euros op de grond liggen in haar eigen huis, raapte ze op en gaf het uit aan kleding voor haar dochtertje en voor zichzelf, zonder te vragen van wie het was.

Ik vond er wat van, maar zei niks. Lonneke had een sterk karakter; ze zou met mij even hard in discussie gaan. Dus hield ik mijn mond, maar bewaarde het als een vage herinnering in het achterhoofd, tot Lonneke en haar man ruzie kregen. Haar dochter was inmiddels dertien, al best groot. Haar man besloot opeens dat het tijd was haar te verlaten en vertelde haar dat hij de scheiding ging aanvragen.

De spullen het appartement en alles erin zouden gelijk verdeeld worden, zo werd besloten. En midden in de nacht stond mijn vriendin ineens in mijn droomhuis, met twee vreemde verzoeken: of ik haar familiejuwelen wilde verstoppen (ze wilde die niet delen met haar man), en of haar dochter een tijdje bij mij mocht wonen.

Ik weigerde niet voor haar dochter het meisje zou het beter hebben in mijn rustige huis aan de gracht, maar de juwelen nam ik niet aan. Ook al was Lonneke mijn oudste vriendin, je weet nooit wat iemand plots bedenkt. Misschien zou ze daarna zeggen dat er iets mist en ruzie maken. Aangezien zij zo makkelijk andermans spullen neemt, denkt ze vast zo over anderen ook.

Haar dochter was anderhalve week bij mij, tot Lonnekes man definitief weg was. Nooit heb ik spijt gehad dat ik niks met die sieraden te maken had. Want zoals ik voorspelde, klaagde Lonneke later bij mij over een oud vrouwtje bij wie ze haar doosje had achtergelaten.

Er waren twee oorbellen, nu is er nog maar één. Ze zijn van massief goud en zwaar. Die oude vrouw dacht zeker dat ik het niet zou merken zei ze eens dromerig.

Ik zuchtte opgelucht dat deze droomklacht niet over mij ging.

Het blijft waar: vriendinnen moet je dichtbij houden, maar niet dichterbij dan je vijanden. Mensen zijn volstrekt onvoorspelbaar, in dromen en in het echt. Zelfs diegenen die je al sinds je kindertijd vertrouwt Ik zou nooit willen dat een oude vriendin over mij zou roddelen in zon vreemde droom.

Rate article