Ik heet Patricia en ik ben 49 jaar. Ik werk al 20 jaar als nachtverpleegkundige in het Algemeen Ziekenhuis, waar ik werkelijk alles heb meegemaakt.

Ik heet Marieke en ik ben 49 jaar. Ik werk al twintig jaar als verpleegkundige in de nachtdienst van het OLVG in Amsterdam. Ik heb in die tijd werkelijk alles voorbij zien komen soms denk ik dat ik zelfs de koffieautomaat beter ken dan sommige artsen.

Acht jaar geleden ben ik gescheiden. Sindsdien woon ik samen met mijn zoon, Sjoerd, die net zijn zestiende verjaardag achter de rug heeft. Een nette jongen is het, verantwoordelijk, ijverig, en je hoort mij nooit klagen. Alleen een beetje liegen doe ik nu. Er is toch één probleem geweest. Het grootste probleem in mijn leven, eerlijk gezegd. Maar hem treft geen schuld.

Zes maanden geleden begon Sjoerd ineens te klagen over hoofdpijn. Eerst dacht ik: “Nou, vast zijn ogen. We worden allemaal ouder.” Dus ik sleepte hem mee naar de opticien op de hoek. Zijn zicht: perfect, 20/20 als een havik.

Maar die hoofdpijn ging niet weg. En toen kwamen de ochtendmisselijkheden. Ik riep meteen: “Dat zal t eten op schoolkantine wel zijn.” Dus vanaf toen fikkie-lunch van moeders mee. Maar de misselijkheid bleef.

Op een ochtend vond ik hem, spierwit, hangend boven het toilet. “Ik ben duizelig, mam. Alles draait.” Nou, als een echte bezorgde Nederlandse moeder schoot ik in de actiestand. Met piepende banden richting de spoedeisende hulp.

Bloedtesten, scans, alles. Niks aan de hand mevrouw, gewoon stress, pubers zijn nu eenmaal zo gevoelig tegenwoordig! zei de arts. Maar ik ken dat soort verhalen. Twintig jaar nachtdiensten gefietst, daar krijg je instinct voor. Dus ik bleef drammen om uitgebreid onderzoek.

Uiteindelijk kreeg ik mijn zin: een CT-scan. Op een dinsdag, dat weet ik nog precies. Ik stond notabene zelf in het ziekenhuis toen de telefoon ging: of ik direct wilde komen. “Het is dringend,” zei de stem.

Ik dropte mijn halve dienst, fietste als een dolle door Amsterdam, gierend van de adrenaline. Een onbekende neuroloog, zestig, type ouwe zeur, zat klaar. “Mevrouw, we hebben wat gevonden in de scan van uw zoon. Hij heeft een hersentumor. We moeten verder kijken naar type en stadium.”

En daar donderde de wereld onder mijn voeten vandaan. Alles wat ik dacht dat ik wist, alle slechte berichten die ik anderen had verteld nu was ik zelf aan de beurt.

De dagen erna waren een gekkenhuis. MRIs, biopten, teamoverleggen waar ik normaal de koffie inschenk, nu zat ik met klamme handen in de hoek. Woorden als “glioblastoom” en “graad vier, agressief, niet te opereren.” Chemo en bestraling als enige optie, maar de prognose? Zwaar beroerd.

En daar zat Sjoerd naast me, mijn jongetje, te luisteren naar het vonnis. Ga ik dood, mam? vroeg hij. Niet eens bang, vooral zo kalm dat het pijn deed.

“Wij doen alles voor wat extra tijd, Sjoerdje,” zei de arts, met zo’n ‘ik-wens-dat-ik-wat-leukers-kon-zeggen’-blik. Meer tijd. Geen genezing. Meer tijd.

s Avonds knuffelde Sjoerd me. “Huil niet, mam. We gaan ervoor vechten.” Steunend aan een kind dat zelf alles verdient. En zo begon ons gevecht: chemo om de week, kale koppies, kilos kwijt, misselijk op alle momenten, maar nooit een klacht. Niet eens Waarom ik?

Vrienden kwamen langs. Eerst nog vaak, maar pubers en dood – dat is geen gelukkige combinatie. Alleen zijn beste maat Thijs kwam trouw elke dag na school. Samen huiswerk maken, gamen, of eigenlijk vooral geklets (Sjoerd was soms te moe om zijn controller nog vast te houden).

Op een avond stond ik in de keuken aardappels te koken en hoorde ik ze praten door de half open deur.
“Ben je bang?” vroeg Thijs.
“Altijd,” zei Sjoerd. “Maar ik zeg het niet tegen mijn moeder. Die heeft het al zwaar genoeg.”

“Waar ben je het bangst voor?”
“Dat mijn moeder straks alleen is. Dat ze zich schuldig voelt om iets waar zij niks aan kan doen.”

Toen moest ik mezelf even terugtrekken naar mijn slaapkamer. Tranentrekker.

De behandelingen sloegen niet aan. Het ding bleef groeien. “Palliatieve zorg, mevrouw. Focus op kwaliteit van leven,” meldde de arts, alsof het om een boekhoudkundige kwestie ging.

Hoeveel tijd nog? Ach, een gok. Drie maanden? Zes? Misschien minder.

Vanmorgen wilde Sjoerd graag nog één keer naar school. Had hij al weken niet gedaan, vaak te moe, maar vandaag wilde hij gewoon even tussen zijn klasgenoten zijn. Even normaal zijn.

Ik bracht hem met de fiets. Hij is zo mager nu, zo breekbaar. Zijn vrienden stonden hem met dikke knuffels op te wachten. De leukste juf kwam meteen bij hem buurten. Ik zag een jongen die lachte. Geen patiënt, gewoon weer even Sjoerd.

Toen ik hem drie uur later ophaalde, zag hij eruit als een vaatdoek maar hij straalde.
“Dankjewel mam, dat je me bracht. Dat je alles voor me doet. Je bent de beste moeder die er is.”

“En jij het beste kind,” zei ik.

Mam? Stilte. Als ik er straks niet meer ben, wil ik dat je gelukkig bent, dat je leeft. Niet eeuwig blijft huilen om mij, oké?

Sjoerd, niet zo
We moeten het erover hebben, mam. We weten allebei wat eraan komt. Beloof me dat je doorgaat. Dat je blij aan me terugdenkt.

Ik heb het beloofd. Of ik het waar kan maken? Geen idee.

Nu ligt hij in zijn kamer, slaap zacht en vredig. Zo klein nog, mijn jongen.

Morgenochtend komt de palliatief verpleegkundige weer. Overmorgen nog een afspraak bij de oncoloog voor het zoveelste nummertje uit de statistiek. Ik zit met een koude Senseo in mn hand naar de muur vol fotos te kijken. Sjoerd als baby. Op zn eerste schooldag. Op zijn tiende verjaardag. En zes maanden geleden nog, springlevend.

Hoe ga ik dit ooit volhouden? Een kind begraven, niemand kan zich dat voorstellen.

Maar voor hem ga ik het proberen. Zolang hij me nodig heeft, hou ik me sterk. Ik geef hem de fijnste laatste dagen denkbaar.

En als hij er straks niet meer is Dan zie ik wel. Dat is een zorg voor later. Nu ben ik er voor hem.

Hoe vertel je je kind dat je van hem houdt, als de tijd opraakt? Hoe prop je alles wat je wilt zeggen in de dagen die overblijven?

Rate article