Ik had Maarten eigenlijk nog niet verteld dat de beveiligingscamera bij de ingang weer gemaakt was.
Die ochtend had ik helemaal niet de intentie om eerder dan acht uur het huis te verlaten. Alles liep volgens plan: filterkoffie, een boterham met belegen kaas, tas alvast naast de deur. Maarten lag nog te slapenhij had weer een avonddienst gedraaid, pas rond één uur zou hij zijn bed uitkomen. Ik trok snel mijn jas aan, pakte de vuilniszak en ging naar beneden.
Bij de vuilcontainer kwam ik buurvrouw Gerda van Dijk tegen, derde etage. Ze droeg een kartonnen doos en de blik op haar gezicht was al een waarschuwing: ze wilde praten. Sinds haar pensioen zes jaar geleden is praten haar favoriete bezigheid.
Heb je het gehoord? zei ze plechtig, zelfs nog voor een goedemorgen. Ze hebben de camera eindelijk gerepareerd. Gisteren hing de mededeling van de VvE benedennu wordt alles opgenomen, alles bewaard. Twee weken lang.
Mooi zo, zei ik een beetje afwezig terwijl ik de zak in de container gooide. Het werd tijd.
Inderdaad, knikte Gerda tevreden. Weet je nog in oktober, toen die fiets verdwenen is op de eerste verdieping? Geen beelden, want die camera deed niks. Maar nu werkt-ie weer! Ze zullen het niet durven, geloof mij maar.
Ik knikte nog een keer, maakte me los en liep richting het metrostation. Onderweg dacht ik aan mijn afspraak met een klant, een factuur die ik nog die ochtend moest sturen, het feit dat ik even vitaminepillen moest halen bij de apotheek. Over die camera dacht ik letterlijk meteen niet meer na.
Tot vier uur s middags. Ik stond bij de kassa van Albert Heijn, legde boodschappen op de bandineens een steek van onrust. Heel zacht, maar duidelijk. Met een pak melk in mijn hand stond ik stil.
De camera.
Maarten komt altijd om één uur zijn bed uit. Dan steekt hij een sigaret op in het trappenhuis, want binnen rookt-ie van mij niet. Iedereen in het portiek weet dat inmiddels. Het is steevast kwart over één, half twee uiterlijk. Dat ritme is in vijf jaar tijd nooit veranderd.
Alleen, vandaag was hij vrij.
Ik zette de melk weer neer en pakte mijn telefoon.
Hij nam niet op. Nog eens bellenlange toon, dan voicemail. Ik appte hem, rekende af, liep de supermarkt uit en probeerde het opnieuw. Geen gehoor.
Waarschijnlijk ligt-ie gewoon te pitten, hield ik mezelf voor. Laat naar bed, nachtbraker, nu ligt hij vast knock-out.
Maar ik liep al sneller richting metro.
*
Ons portiek staat in een typische jaren-80 flat, negen verdiepingen hoog op de Van Oldenbarneveltlaan. Lift werkt half, het trapgat ruikt naar oude verf en natte regenjassen. De camera hangt net boven de entreeklein, zwart, niet op te merken. Vroeger zat er een rood lampje op, daarna niet meer. Iedereen ging er stilzwijgend van uit dat dat ding stuk was. Vorige zomer zijn de brievenbussen beneden geslooptde politie wilde camerabeelden zien. Nee hoor, geen opnames, zei de beheerder. En sindsdien hoopte eigenlijk niemand er meer op.
Ik kwam binnen, keek automatisch omhoog. Het rode lampje wás aan.
Rustig, stil, continugeen gedoe. Gewoon aan.
Ik liep via de trap naar de vierde etagegeen zin om op de lift te wachten. Op de galerij was het stil, ik haalde mijn sleutels tevoorschijn en opende de voordeur.
In de gang stonden vreemde schoenen.
Nou ja, niet helemaal vreemd. Lichtbruine suède, maat 45 ongeveer. Ik had ze weleens gezien. Ze stonden naast Maartens pantoffels, perfect recht, alsof ze net waren uitgelijnd door een bolleboos uit een schoenenwinkel.
Ik bleef tien tellen roerloos in de deuropening staan. Gewoon staren.
Toen hing ik rustig mijn jas op, zette de boodschappentas neer. Alles ging vertraagd, heel secuur.
Uit de woonkamer kwam geen enkel geluid.
Ik liep naar de keuken, zette water op, ging op het krukje zitten. Mijn handen rustig op tafel, ik keek naar mijn trouwring. Zilver, kleine steenMaarten had die gegeven voor ons derde jubileum. Toen waren we samen een weekend naar Maastricht, in zon schattig hotelletje aan de Maas. Hij had die ring gekocht bij een juwelier op het Vrijthof nadat ik hem er een keer had zien liggen en zei dat ik hem mooi vond. Hij wist het nog.
De waterkoker klikte, ik schonk thee in, roerde langzaam.
Daarna liep ik naar de gang.
Maarten? zei ik zacht.
Stilte.
Maarten, ik ben thuis.
Achter de slaapkamerdeur gekraak. Kreunende veren, geritsel, een geluid dat ik gek genoeg direct herkende niet in woorden uit te leggen, maar ik wist het meteen.
De deur ging open.
Maarten stond daar, in een oud T-shirt en trainingsbroek, haar door de war, blik op oneindig. Dat miste-doorkijken viel me meteen op. Ook een van de eerste dingen die ik aan hem waardeerde: altijd open, altijd recht in mijn ogen. Nu niet.
Je bent vroeg, zei hij.
Ja, ik was wat eerder klaar.
Ik lag te slapen.
Dat hoor ik.
We zeiden niets. Ik dronk thee, hij bleef staan bij de slaapkamerdeur.
Bram is langs geweest, zei hij uiteindelijk. Stond opeens voor de deur, ik deed open. We waren een beetje aan het ouwehoeren… Toen bleef hij even liggen.
Ja, tuurlijk, zei ik.
Is er iets?
Nee hoor.
Hij liep richting keuken, deed de ijskast open, schonk zichzelf water in.
Bram! Kom effe joh, Anneloes is thuis! riep hij naar de kamer.
Weer gekraak, schroomvoetstappen. Toen kwam BramBram de Vries, een collega van Maarten op de bouw, al zes jaar vaste prik bij ons op de verjaardag. Lange vent, blond, beetje kromme rug. Zag er nu uit alsof hij net wakker was: rode ogen, afdruk van een kussen op zijn wang.
Hoi Anneloes, zei hij. Sorry dat ik zo lig te chillen, was niet de bedoeling. Even bij Maarten langs en even tukken.
Maakt niet uit, antwoordde ik.
Ze bleven beiden kijken; ik keek omlaag naar mijn mok.
Nou, ik ga er weer vandoor, werk wacht! zei Bram.
Doei! klonk het tegelijkertijd van Maarten.
Hij griste zijn schoenen en jas, de voordeur viel dicht.
Wij twee, aan de keukentafel.
Maarten dronk water, zonder te kijken.
Waarom zeg je niet zo veel? begon hij.
Ben gewoon aan het denken.
Waarover dan?
Ik legde de mok neer.
Weet je dat die camera bij de voordeur weer werkt?
Hij viel stil. Ik zag iets langs zijn gezicht trekkente snel, bijna onzichtbaar, maar ik zag het. Zijn hand zette het glas nét iets te hard op het aanrecht.
Nee, wist ik niet, zei hij.
Vandaag hoorde ik dat van Gerda, beneden.
Stilte.
En?
Niks. Ik wilde het gewoon even zeggen.
*
Ik ben geen schreeuwerd geworden. Niet omdat ik niks te zeggen hader was meer dan genoeg. Een hele stapel die zich maandenlang opstapelde: kleine gekkigheidjes, schermen van telefoons steeds omlaag, die steeds meer onverwachte late diensten. Later reageren op appjes; nare parfumniet zijn geur, iets onbekends, heel vaag, maar ik kende het inmiddels.
In juni kwam hij laat thuis. Werk, zei hij. Ik vroeg niets, zette een bord eten voor hem neer, trok me terug op de bank. Lag daar en dacht: misschien ben ik gek, moe, gestrest, alles in mijn hoofd.
Toen stond ik toch op, keek in zijn jaszakken. Niets. Geen bewijs. Maar alleen het feit dat ik zijn jas controleerdedat was het bewijs.
Ik maakte geen drama omdat ik tijd nodig had.
s Avonds ging Maarten weg voor zn avonddienst. Ik zat met mijn laptop te werken maar keek nergens naar. Rond negen uur appte ik mijn vriendin Judith: Bellen?
Judith belde meteen.
Wat is er?
Ik vertelde over de schoenen, Maarten en de slapende Bram, de camera.
Judith bleef stil. Daar hield ik van; geen oordelen, geen onderbreken.
Weet je het zeker? vroeg zij.
Nee.
OK, dan.
Maar die schoenen stonden echt gelijk en netjes, niemand zet schoenen zo neer als ze alleen maar bij een vriend op bezoek zijn.
Judith zweeg.
Dat zegt op zich niet alles, Ann, zei ze tenslotte.
Weet ik.
Je kunt het nog fout hebben.
Ja, dat weet ik. Maar ik keek naar die schoenen en dacht: ergens weet ik het gewoon. Ik heb geen bewijs nodig.
Een gevoel, is nog geen feit.
Nee. Maar soms werkt gevoel preciezer dan bewijzen.
Wat ga je doen?
Ik weet het nog niet. Praten waarschijnlijk.
Wanneer?
Niet vanavond.
We praatten nog wat. Over niks, zoals je soms doet omdat je de verbinding niet wilt verbreken. Ze zei: Echt, Ann, je moet erover praten als het niet gaat. Ik beloofde dat.
*
Maarten kwam pas om half twaalf thuis. Ik lag al met een boek in bed. Hij keek binnen: Je bent nog wakker, geen vraag, gewoon een constatering. Douchen, daarna lag hij weer naast me op bed, telefoon in de hand.
Ik concentreerde me tien keer op dezelfde zin.
Ann, zei hij in het donker.
Ja?
Ben je boos?
Nee.
Stilte.
Zeker?
Zeker.
Hij draaide zich om en viel in slaapof hij deed alsof.
Ik staarde naar het plafond. Witte verf, barstje links sinds vorige herfstMaarten zei ooit: fixen die handel, maar niks gebeurd.
Ik was vierendertig. We waren acht jaar getrouwd. Ik herinner me onze eerste bezichtiging van dit huistoen kaal, met foeilelijke streepbehang. Ik zeurde dat we dat moesten vervangen vóór de meubels er kwamen. Maarten lachte: wat boeit het behang, als de zon maar binnenkomt.
We schilderden samen de slaapkamer. Maarten had een witte vlek op zijn slapen van de verf, heeft er nog dagen mee gelopen. Ik heb me suf gelachen.
De eerste ruzie, over zijn moeder en geld. Drie dagen praten we nietverschrikkelijk was dat. Na die drie dagen vond ik op tafel mijn favoriete thee, zonder woorden. We zaten samen te drinken, praatten voorzichtig, toen weer normaal.
Dat was er allemaal. Dat verdween niet.
Maar die schoenen stonden er ook, nu.
*
De volgende dag belde ik naar de VvE.
Goedemiddag. Ik woon in het gebouw op Van Oldenbarneveltlaan twaalf. Vierde etage. Klopt het dat de camera nu weer werkt?
Ja hoor, mevrouw. Kan ik ergens mee helpen?
Worden de beelden van de afgelopen 24 uur bewaard?
Zeker, we bewaren alles twee weken.
Dank u wel.
Ik legde de hoorn neer, keek naar mijn telefoon. Belde Maarten.
Met Maarten.
Hoi. Waar ben je nu?
Op het werk. Is er iets?
Nee. Weet je nog dat ik zei dat die camera werkt?
Pauze. Heel kort, maar ik voelde hem overduidelijk.
Ja, dat weet ik nog.
Ze bewaren die beelden twee weken. Heb het net gecheckt.
Lange stilte. Te lang.
Okee, zei hij.
Okee dan.
Zijn ademhaling was geforceerd rustigdat hoor je na een paar jaar meteen.
Anneloes…
Niet nu, zei ik. Vanavond praten we. Thuis.
Ik hing op. Daarna zat ik een paar minuten naar de regen buiten te kijkenzon miezer, waar je alleen nat van wordt als je blijft kijken. Geen beelden nodig, alleen dat ene: zijn stilte, langer dan normaal.
*
Hij was eerder thuis dan normaal. Kwart voor zevenik had het eten nog niet eens op het vuur staan. Legde zijn tas neer, schoenen uit, direct naar de keuken. Ik zat aan tafel met thee.
Hij ging recht tegenover me zitten. Geen hoe gaat het, niks over koetjes of kalfjes, gewoon zitten en kijken.
Drie minuten niks zeggen: lang. Zo lang dat ik de tijd kon tellen aan zijn gezichteerst gespannen, toen moe, toen veranderde er iets anders.
Het is al een tijd zo, zei hij toen.
Hoe lang?
Zeven maanden.
Ik knikte. Februari dus. Probeerde me die maand te herinneren. We waren bij zijn ouders geweest met de feestdagen, Maarten verraste me op 8 maart met een bos gele tulpen. Ze stonden te floreren op de vensterbank. Zeven maanden alweer.
Wie is het?
Hij zei een naam die ik niet kende.
Werk ze bij jullie?
Nee, gewoon toevallig ontmoet.
Toevallig, herhaalde ik.
Hij zweeg. Geen uitleg, geen smoezendat was oprecht.
Je was van plan het te zeggen?
Weet ik niet. Ik dacht erover, maar wist niet hoe.
En nu?
Ik heb geen keuze.
Vanwege die camera.
Hij keek op.
Niet alleen daarom, Ann. Zo doorgaan kon ik niet meer. Niet met dit leven, niet met jou, alsof er niks aan de hand is…
Maar zeven maanden was dat niet erg?
Jawel.
De stilte was zo diep dat ik de lekkende kraan in de badkamer hoorde: tip, pauze, tip. Al weken moest die gerepareerd worden.
Wil je haar?
Geen direct antwoord. Ik keek naar zijn gezicht. Ik kende iedere rimpel, iedere kraai aan zijn ogen; hij vond ze drie jaar geleden voor het eerst, ik hoorde zijn grapje over ouder worden nog.
Ik weet niet wat ik wil, zei hij zacht. Echt niet. Ik wil het niet mooier maken. Ik weet het niet.
Slecht antwoord.
Dat weet ik.
Maarten, zei ik zijn naam heel langzaam, je snapt dat dit geen ik weet het niet situatie is. Dit vraagt om een écht antwoord.
Ik begrijp het, ja.
En?
Hij bleef stil.
Ik hoef haar niet, zei hij. Het was… iets anders. Kan het niet vergelijken met jou. Het was gewoon anders.
Maar je bleef wel gaan.
Ja.
Wat was daar dan?
Lang stil.
Het was makkelijk, zei hij toen. Geen verwachtingen, geen gedoe, samen zijn, weer weg. Niemand die zich ergens druk over maakt. Het was… hij zocht naar woorden zoals frisse wind op een andere plek.
En hier kun je niet ademen?
Jawel, maar dit is echt. Echt vraagt meer. Dat kon ik niet aan. Dat ligt aan mij, niet aan jou.
Ik stond op, liep naar het raam, bleef daar een minuut staan en draaide me om.
Okee. Jij gaat vanavond naar Sander. Slaap je daar een paar dagen. Ik moet nadenken.
Ann…
Ik gooi je niet het huis uit. Ik wil alleen tijd. Wil je dat respecteren?
Hij knikte.
Prima, zei hij.
Hij pakte zijn spullen in de slaapkamer. Ik hoorde de rits van zijn tas, hoe hij zijn kleren opvouwde. Geen overhaaste bewegingen, precies zoals hij altijd is. Daarna stond hij ineens weer in de hal.
Ann…
Wat?
Het spijt me.
En dat meende hij, dat zag ik.
Dat weet ik. Ga nu maar.
*
Drie dagen was ik alleen.
Ik belde hem niet. Geen Judith, geen moeder, niemand. Werken, terug, koken voor één persoon. Best apart: ik wist niet eens meer hoeveel pasta voor één persoon in de pan moest. Altijd voor twee, drie als er iemand kwam eten, nu hield ik over voor in de koelkast.
Eerste dag: poetsen. Alles schoon, spullen weg die niemand meer gebruikte. Niet uit woede, gewoon bezig blijven.
s Avonds toch mijn moeder gebeld. Niets verteldgewoon praten. Ze vertelde over buren, haar moestuin, een tv-programma. Haar stem was precies als altijd: warm, beetje moe. Sommige dingen veranderen niet.
Op dag twee belde ik nog een keer de VvE.
Mag ik de beelden van gisteren bekijken?
Waarvoor is het?
Persoonlijke reden, ik wil het gewoon graag terugzien.
Ze vertelden dat dit alleen kon bij diefstal of andere serieuze redenen. Niet zomaar.
Ik hing op. Eigenlijk had ik die beelden niet meer nodig. Het belangrijkste had ik al gekregen in dat telefoongesprek: die stilte van Maarten, langer dan normaal. Ademhaling te bewust.
Wat ik wilde was niet bewijsik wilde de waarheid. Die had ik wel.
Dag drie zat ik aan de keukentafel met een kop koffie, uitzicht op het bekende groen en de glijbaan door het raam. Ik dacht: stel het is nu voorbijwat blijft er nog over? Wat verlies ik?
Acht jaar samenniet zomaar acht jaar, maar acht jaar waarop alles berust. Huis. Routinetjes. Vrijdagavond samen film kijken. Het elkaar kunnen verdragen als niemand praat. Weten dat ik s ochtends niet aanspreekbaar ben, hij niet overweg kan met drukke winkels. Kleine weetjes die het fundament worden.
Kun je daarop doorgaan als er een barst doorheen loopt? Kan je dat plamuren? Of voel je het toch?
Ik wist het niet. Maar ik wilde het proberen uit te vinden.
*
De vierde dag appte Maarten: Mag ik langs komen?
Ja, stuurde ik terug.
s Avonds stond hij binnen, brood en melk gekocht onderwegalsof hij alleen boodschappen had gedaan. Geen opmerkingen, gewoon samen thee drinken aan diezelfde keukentafel. Daar gebeuren altijd de belangrijke dingen.
Heb je een besluit? vroeg hij.
Bijna.
En?
Ik keek naar mijn handen. Het zilveren ringetje ving het licht.
Ik moet iets weten. Was zij voor jou iets écht? Of was het iets waarvan je zelf niet weet wat het was?
Hij zweeg lang, langer dan wanneer iemand nadenkt. Je ziet snel als iemand zoekt naar iets wat eerlijk is.
Nee, niet echt. Het was… hij zocht weer naar woorden vluchten. Ik rende voor iets weg, ik weet niet eens voor wat. Daar was het simpel. Geen verantwoordelijkheid. Gewoon makkelijk.
En hier is het zwaar?
Hier is het echt, Ann. Echt vraagt meer. Dat kon ik niet dragen. Dat ligt niet aan jou.
Ik schonk mezelf nog een kop thee in. Mijn handen waren rustig.
Is het nu voorbij met haar?
Ja.
Wanneer?
Eergisteren.
Dus voor dat ik zei dat je mocht komen.
Ja.
Het was belangrijk. Geen idee waarom, maar het was belangrijk. Hij was gestopt zonder dat ik het vroeg.
Goed.
Betekent dat…
Het betekent dat we het een kans kunnen geven. Niet alsof er nooit wat gebeurd isdat gaat niet. Maar proberen.
Hij keek me aan. Geen opluchting, iets anders. Alsof pas nu het echt tot hem doordrong wat op het spel stond.
Ik wil wel iets van jou.
Alles, wat je wilt.
Niet allesik wil concreet: ik wil dat wij samen naar een relatietherapeut gaan. Niet één keer, een paar keer. Kan dat?
Ja.
Je zegt meteen ja.
Omdat ik het meen, Ann. Ik ben er al dagen over aan het nadenken. Ik snap nu dat wat ik deed niet kwam door jou, maar doordat ik niet met moeilijkheden kon omgaan. Ik vluchtte naar waar het makkelijk was. Dat is laf. Zo wil ik niet zijn.
Ik zei niets, hij ging verder:
Ik moet dat snappen. Niet om jou te overtuigen. Voor mezelf. Want als ik dat niet uitzoek, kan het zomaar gebeuren dat ik opnieuw wegvluchtmisschien naar iets anders, iemand anders, weet ik veel.
Eerlijker had hij het nooit gezegd.
Okee.
We bleven nog even praten. Het ging weer ergens anders overwerk, een klant van mij. Losse gesprekjes, voorzichtig.
Nog iets, zei ik, net toen hij wilde opstaan.
Ja?
Die kraan in de badkamer? Kapot. Morgen fixen.
Een halve glimlach trok langs zijn mondhoek. Niet helemaal vrolijk, maar bijna.
Morgen, zei hij.
*
Gerda van Dijk hield me vrijdag bij de lift tegen.
Heb je het gehoord? zei ze, net zo plechtig als bij de camera. Hij is weer stuk! Storing! Weer voor de tweede keer deze maandik krijg er grijze haren van. Heb alweer gebeld naar de VvE, hopelijk is het snel gefikst. Maar ja, we weten hoe dat gaat.
Inderdaad, echt typisch.
De lift kwam. Ik stapte in, drukte op vier.
Heb je het telefoonnummer van de storingsdienst eigenlijk? Ik heb het, kan het zo geven!
De deuren schoven dicht.
Ik keek naar mijn eigen reflectie in het spiegelende liftdeur. Vierendertig, zilveren ring, jas van de derde plank. Wat moe van alles, gezicht een beetje verkreukeld. Gewoon mezelf.
De camera heeft maar één dag gewerkt.
Eén dag op acht jaar. Eén dag op bijna drieduizend dagen samen, in één flat, één portiek, onder één dak.
Eén dag, en dat was genoeg.
Lift open. Vierde verdieping. Ik naar binnen.
Binnen was het stil. Maarten was nog niet terug. Jas uit, waterkoker aan, koelkast open. Een beetje brood, melk, bakjes eten. Een gewone koelkast. Een gewone keuken. Een gewoon huis.
Een gewoon leven, met een barst. Geen nieuwe barstéén die eindelijk zichtbaar werd.
Ik schonk water in mijn mok en dacht: zo gaat dat dus. Niet alles weer goed, niet alles voorbijmaar ergens ertussenin. Waar geen simpele antwoorden zijn, maar alleen eerlijke vragen.
En somseerlijke antwoorden.
De kraan lekte niet meer. Maarten had hem vanmorgen gemaakt, zoals hij beloofde.
Dat betekent ook wat.






