Ik haat je niet, hoor

Ik haat je niet

En toch is er eigenlijk niks veranderd

Ik friemelde zenuwachtig aan de mouw van mijn jas toen ik uit het taxi-raam keek. Buiten gleden de oude Rotterdamse straten voorbij precies die wegen waar ik vroeger met Wouter rende, altijd lachend en dromend over de toekomst. Het besef drong tot me door: na zeven lange jaren was ik eindelijk weer thuis.

We zijn er, klonk de zachte stem van de chauffeur, die bruusk mijn gedachten onderbrak.

De taxi kwam tot stilstand bij de vertrouwde portiekflat uit de jaren zestig. Automatisch controleerde ik of mijn mobiel er was, haalde mijn pinpas uit mijn tas en betaalde de 23,60 voor de rit. De deur viel achter me dicht. Heel even stond ik stil, mijn adem schoot onregelmatig door de koele lucht van de stad die altijd een beetje naar pasgemaaid gras rook en naar het zuurdesem van die kleine bakkerij op de hoek, waar ik als kind nog bolletjes haalde. En, misschien het meest herkenbare van allemaal: een geur die je alleen kan omschrijven als thuis. Het deed pijn, maar op een warme manier, zoals je verlangt naar iets wat je ooit gekend hebt maar niet kan vasthouden.

Officieel was ik maar een paar dagen op bezoek om mijn moeder te helpen met allerlei papieren die zich hadden opgestapeld. Maar ergens in mijn binnenste speelde iets anders. De drang om Wouter te zien, die me al dagen wakker hield, was sterker dan ik toe wilde geven. Wie weet Misschien zou mijn leven alsnog een andere wending nemen?

Ik wist wel dat hij nog ergens in de buurt woonde. Niet dat ik hem in de gaten had gehouden, maar tijdens koffiedates of via Facebook gonsden zijn naam en flarden nieuws regelmatig door de lucht: een andere baan, een koopappartement, zijn moeder intrekken Bij elk nieuwtje flitste het beeld van hem door mijn hoofd. Hoe zou hij er nu uitzien? Wat zou hij doen? Maar ik verbood mezelf eraan toe te geven uit angst alles weer open te halen wat ik zichzelf zo lang verboden had te voelen.

*****

De volgende ochtend besloot ik door het centrum te dwalen. Geen specifiek plan, gewoon lopen, winkeletalages bekijken, de straat opzuigen. Elk bankje, elke oude krantenkiosk bracht herinneringen boven: daar kocht ik als tiener tijdschriften, daar zat ik uren met vriendinnen na school, daar morste ik een cappuccino over mijn nieuwe bloes allemaal Rotterdamse momenten die lichter werden dan het leven zelf.

En toen zag ik hem.

Aan de overkant liep Wouter, zijn blik recht vooruit, nonchalant als altijd, zoals ik hem me herinnerde. Mijn benen leken zichzelf te bewegen toen het verkeerslicht net op oranje sprong. Ik hoorde een fietser boos bellen, maar alles verdween naar de achtergrond ik moest naar hem toe.

Wouter! riep ik, mijn stem een vreemde mengeling van hoop en angst.

Hij draaide zich om. Geen emotie; geen boosheid, geen blijdschap. Alleen verwarring, misschien.

Imke? zei hij tot mijn schrik, bijna onaangedaan.

Zijn vlakke toon kwam harder aan dan ik had verwacht. Zeven jaar opgekropte woorden barstten ineens open: in mijn ogen prikten tranen, mijn stem trilde.

Wouter, ik Wat ben ik vreselijk fout geweest Ik weet dat ik niet het recht heb om dit te vragen, maar de rest viel weg in snikken. Ik hou nog steeds van je. Echt van je. Vergeef me alsjeblieft.

De woorden kwamen er haastig en rommelig uit, alsof ik bang was dat als ik eenmaal stil zou zijn, ik nooit meer zou durven praten. Alleen dat wat er écht toe deed kwam naar buiten.

Ik sloeg mijn armen om hem heen, mijn gezicht tegen zijn borst gedrukt, wanhopig zoekend naar het verleden dat ik zelf had verspeeld. Even leek hij te twijfelen, zijn schouders zakten, zijn handen bewogen een fractie had hij me willen vasthouden?

Maar het duurde maar een moment. Wouter duwde me behoedzaam maar beslist van zich af. Zijn gezicht bleef kalm, zijn blik koel geen spoor van de jongen met wie ik ooit tot tranen toe lachte. Wat ik zag was een volwassen man, gevoelens goed verstopt achter een pantser van ervaring.

Ga weg, fluisterde hij dicht tegen mijn oor.

Alsof ik niets meer voor hem betekende. Alsof ik lucht was.

Ik haat je, voegde hij na een ademteug toe, zijn ogen onverwacht fel van minachting.

Hij draaide zich resoluut om, liep weg zonder een blik achterom. Beduusd bleef ik staan. De stad bewoog gewoon voort: mensen langs de fietsrekken, trams die gonzend optrokken op de Coolsingel, kinderen die speelden in de verte. Iemand keek me meewarig aan. Maar ik merkte het nauwelijks. Alleen het wegstervende geluid van zijn voetstappen, en mijn hart dat noch ritme noch richting leek te vinden.

Dit is het, dacht ik. Voor altijd.

Zonder na te denken slofte ik naar huis. Mijn benen voelden als lood, alles leek zwaar en betekenisloos. Mijn hoofd was leeg alleen het echoën van zijn woorden bleef hangen.

Thuisgekomen zei ik niets. Mama keek op, haar blik vol stille zorgen, maar ze vroeg niet. Ze zuchtte, zette thee, en juist de eenvoud het zetten van thee, het gepruttel in de keuken trok me terug in het hier en nu.

Hij heeft me niet vergeven, mompelde ik, de beker zo stevig vastgeklemd dat hij bijna kraakte.

Moeder ging naast me zitten, haar hand warm en vertrouwd op mijn rug. Even voelde ik me weer klein, zoals toen ze mijn kapotte knie insmeerde of zachtjes over mijn rug wreef na een ruzie op school. Nu was de pijn onzichtbaarder maar niet minder echt.

Je wist dit, lieverd, zei ze zacht, zonder verwijt. Je hoopte. Dat is niet dom.

Maar ik heb hem zoveel pijn gedaan, fluisterde ik. Zelfs nu ziet hij niets meer in mij, ik heb hem in een ander mens veranderd.

Mama zweeg, haar armen om me heen. Mijn gedachten dwaalden af naar wat geweest was, zeven jaar geleden.

Toen leek alles overzichtelijk. Ik was tweeëntwintig, alles lag open. Wouter had zijn handen stuk gewerkt op de bouw, weliswaar met grootse dromen, maar altijd bezig, nooit stilstaand. Ik wilde zekerheid, geen onzekerheid van avondopleidingen en tijdelijke klusjes. Toen de broer van mijn moeder een baan in Amsterdam aanbood, greep ik die zonder aarzeling.

Ik spiegelde mezelf een toekomst voor die er aantrekkelijk uitzag, maar ik dacht niet na over wie ik achterliet. In de eerste maanden raakte ik betrokken bij een oudere collega, Jeroen. De zeepbel van luxe restaurants, chique cadeaus en theatersleep waaraan ik vooraf niet durfde denken, betoverden me. Ik vergat Wouter begon zijn eenvoud zelfs te minachten. Dacht dat ik nu werkelijk wist wat leven was.

Na een poosje keerde ik terug naar Rotterdam niet om Wouter te zien, maar om te laten zien wat ik bereikt had. Ik koos het drukste terras op de Meent, droeg mijn mooiste jurk, de ring van Jeroen, handtas van leer alles klopte. Toen Wouter binnenkwam, hield ik zijn blik vast, alsof ik mijn keuze daarmee definitief wilde maken. Ik lachte, deed alsof ik gelukkig was.

Achteraf proefde dat moment als een overwinning, maar ook als leegte. De fonkel van de stad verbleekte. De dure dingen werden al snel decoratie de restaurants een verplicht nummertje, de complimenten routine. Jeroen trok zich langzaam maar zeker terug; de aandacht droop weg. Eerst werden mijn kleren bekritiseerd, daarna mijn stem, mijn vrienden. Langzaamaan voelde ik me leeg en eenzaam, terwijl buiten Amsterdam ruiste en de koffiegenoten bleven komen.

Toen pas realiseerde ik me wat ik kwijt was. En dat echt geluk niet in schone schijn of zekerheid zat, maar in verbinding. Wouter met zijn gebarsten handen en zachte glimlach, het vertrouwen dat alles ooit goed zou komen dát was de basis die ik nodig had. Ik had de enige die echt van me hield in de steek gelaten.

***

Op dag drie van mijn bezoek ging ik naar het Vroesenpark, waar Wouter en ik vroeger samen wandelden. De bank onder de eik stond er nog. Hoe vaak hadden we hier niet gezeten, thee gedeeld in thermosbekers, plannen gemaakt voor ooit?

Ik zakte neer op het bankje en liet mijn hoofd op mijn armen rusten. Toen hoorde ik een bekende stem.

Imke?

Ik keek op en herkende Bart, onze gezamenlijke vriend. Zijn verrassing maakte snel plaats voor een glimlach.

Wat toevallig, zeg! Hoe is het met je?

Ik probeerde luchtig te antwoorden, maar het lukte moeilijk.

Wel oké, zei ik, al wilde ik huilen. Even bij mijn moeder op bezoek.

We gingen samen zitten. Bart vertelde over de stad, over vrienden, over kleine nieuwtjes. Ik luisterde en voelde me wegglijden in herinneringen.

Toen kwam de vraag, bijna terloops: Heb je Wouter nog gezien?

Ik knikte langzaam. Gisteren. Het was pijnlijk. Hij wil niets meer met me te maken hebben. Hij haat me.

Bart zuchtte. Hij keek naar de herfstbladeren en zei: Hij heeft er echt lang over gedaan om zich te herpakken. Je verdween van de ene op de andere dag. Dat kwam hard aan, Imke.

Ik kneep mijn handen samen. Ik weet het. Ik had geen idee dat het zo zou uitpakken. Ik dacht dat ik een verstandige keuze maakte. Ik wilde alleen maar zeker weten dat het goed met me zou komen.

Iedereen maakt fouten, zei Bart rustig. Maar het heroprakelen van oude wonden helpt hem niet. Je vertrek heeft hem bijna gebroken. Laat alsjeblieft het verleden rusten; probeer niet opnieuw in zijn leven te komen. Gisteren was hij kapot.

Een traan rolde over mijn wang. Ik wist dat Bart gelijk had. Mijn aanwezigheid deed meer kwaad dan goed.

***

s Avonds zat ik op mijn oude kamer, uitziend op de stad die zachtjes in de avond verdween. De lichten dansten op de Maas en de ruiten van de tram. Wat als ik was gebleven? Wat als Maar het verleden kun je niet herschrijven.

De volgende ochtend pakte ik mijn koffertje. Mijn moeder keek toe. Pas goed op jezelf, fluisterde ze, een zachte kus op mijn wang. Alles in me wilde blijven, maar ik stapte de deur uit, op weg naar het station.

Ik kocht een enkeltje naar Amsterdam. De Intercity bracht me terug, wiegend tussen onbekenden. De stad gleed achter me weg, en het voelde plots zo onherroepelijk.

Daar, tussen de eeuwige bedrijvigheid, was hij: de liefde van mijn leven, de jongen die ik nooit echt had losgelaten, de man die ik onherstelbaar had gekwetst en nu voorgoed kwijt was.

***

Een half jaar later was er niet veel veranderd aan de buitenkant. Werk, koffie met vrienden, boodschappen bij de Appie alles liep zn gang. Maar diep vanbinnen kon ik het verleden eindelijk aankijken; zonder truuks om te ontsnappen, zonder te lopen voor wat ik voelde. Ik leerde het accepteren: ik had fouten gemaakt, pijn veroorzaakt, en ik zou daar mee moeten leren leven.

Op een gewone avond, terwijl ik pasta stond te roeren, zoemde mijn mobieltje. Een onbekend appje.

Imke, ik haat je niet. Maar ik kan je ook niet vergeven.

Ik zakte op de keukenvloer, telefoon tegen mijn borst gedrukt. Tranen prikten, maar er kwam toch een glimlach voorzichtig en breekbaar. Misschien was dit niet het einde. Misschien, ooit, zullen we praten, eerlijk, zonder schuld, zonder verlangen. Misschien, ooit.

Voor nu wist ik één ding zeker: ver weg, in Rotterdam, dacht iemand nog wel eens aan mij. En voorlopig, voorlopig was dat genoeg.

Rate article