Dinsdag, 14 mei
Ik ben op reis gegaan naar Italië met een groep pensionados. Ik verwachtte er niet veel van gewoon een paar dagen cultuur snuiven, wat fotos voor het plakboek, misschien wat souvenirs voor de kleinkinderen. Ik wilde vooral even ontsnappen aan de sleur, aan de stilte in huis die de laatste jaren steeds benauwender aanvoelde.
Eerlijk gezegd dacht ik dat Rome, Florence en Venetië vooral af te vinken bestemmingen zouden zijn. Maar daar, in de schaduw van het Colosseum, ontmoette ik een man die me weer jong deed voelen.
Het was onder die machtige bogen, terwijl de gids wat vertelde over de gladiatoren, dat ik met mijn gedachten afdwaalde. Plots hoorde ik iemand naast me zeggen: Denk je dat die gladiatoren net zo over het weer klagen als wij nu? Er verscheen een grinnik op mijn gezicht en ik draaide me om. Daar stond hij: lang, grijs randje in zijn haar, met een glimlach waarin iets vertrouwds én nieuws lag. Hij droeg een eenvoudige overhemd en een strohoed tegen de zon, maar keek me aan alsof wij de enigen waren op die plek.
We raakten aan de praat. Hij heette Cas, was ook weduwnaar en al een paar jaar met pensioen. Alleen gereisd; Ik wilde niet nog langer wachten op het perfecte moment om Rome te zien., zei hij. Het gesprek liep vanzelf, luchtig, vol grapjes, alsof we elkaar al jaren kenden. Bij het Colosseum dronken we samen koffie en ruilden indrukken uit van de stad. Voor het eerst sinds tijden luisterde iemand echt met aandacht naar me.
De dagen na die ontmoeting waren anders. We zaten naast elkaar in de bus, schoven bij elkaar aan voor het diner, verdwaalden in de menigte en vonden elkaar altijd met een blik. Er zat iets onschuldigs én spannends in.
s Avonds, als de groep kaarten speelde of naar het journaal keek in het hotel, stonden wij op het balkon, uitkijkend over het fonkelende Rome. We spraken over vroeger en nu, over onze kinderen, over hoe verrassend het is om je hart plots weer sneller te voelen kloppen.
Het was alsof ik weer zestien was. Opeens besteedde ik weer aandacht aan mijn kleding, bracht een beetje make-up aan, lachte meer. De andere vrouwen uit ons gezelschap keken met mengeling van plezier en misschien een beetje jaloezie. Maar ik voelde dat lostrekken van mezelf, dat stukje dat onder routine en eenzaamheid was verstopt, weer terugkeerde.
Hoe dichterbij het einde van de reis kwam, hoe vaker de vraag door mijn hoofd spookte: wat nu? Cas woonde honderden kilometers verderop. Hij had zijn leven, ik het mijne. We deelden een bijzondere week die losstond van het dagelijks bestaan. Was dat genoeg om te hopen op meer?
Op de laatste dag slenterden we samen zonder de groep door de stad. We zaten op de Spaanse Trappen, aten gelato en zwegen samen. Uiteindelijk zei hij: Ik heb me in jaren niet zó gevoeld. Maar straks, als we weer thuis zijn, verdwijnt het misschien allemaal. Jij je leven, ik het mijne Is dit alleen een zomerluchtspiegeling?
Ik wist niet wat ik moest antwoorden. Mijn hart wilde geloven dat het meer was; mijn verstand vreesde dat het enkel een warme vakantiedroom was die niet bestand zou zijn tegen de koude werkelijkheid.
We namen afscheid op de luchthaven van Rome. Een omhelzing, langer dan normaal, een blik waar alles in zat afscheid, belofte. We wisselden telefoonnummers uit. Maar geen van ons sprak hardop de woorden: Laten we elkaar weer zien.
Nu ik terug ben, denk ik vaak aan die reis. Het voelt als een droom: intens, prachtig maar fragiel. Misschien had Cas gelijk, dat het een illusie was. Of misschien is het laf om niet te durven nagaan of het lot mij opnieuw iets moois wil geven.
Ik vraag me af is het verstandig of stom om je rustige, geordende leven op het spel te zetten voor een gevoel dat zo onverwacht je pad kruist? Was het slechts een mooie episode onder de Italiaanse zon, of het begin van een verhaal dat ik nog niet ken? Mijn hart klopt sneller alleen al bij de gedachte aan hem, terwijl mijn verstand fluistert dat het waanzin is.
Misschien schrijf ik dit op om anderen te vragen: mag je na je vijftigste, zestigste of nog later, opnieuw openstaan voor het onbekende? Houd je het bij een dierbare herinnering, veilig en mooi, of durf je uit te zoeken waar het nieuwe gevoel vandaan komt?
Eén ding heb ik geleerd: het leven verrast je precies wanneer je denkt dat niets je meer zal verrassen. Misschien is geluk gewoon durven.






