Ik ben de oudste zus in een groot gezin. Iedereen voeden, voor hen zorgen, ze naar de kleuterschool en school brengen dat was mijn dagelijkse werkelijkheid. Mijn ouders vroegen nooit of ik dat wilde, het was gewoon zo.
Vrienden had ik eigenlijk niet, ik had nooit tijd om met hen af te spreken. Mijn leeftijdsgenoten lachten me uit en zeiden dat ik alleen kontjes kon afvegen. Soms huilde ik daar zo om, dat zelfs de geruite gordijnen gingen bewegen en mijn tranen in pepermuntdropjes veranderden. Mijn vader zag dat en sloeg me met een leren riem die steeds langer leek te worden. Hij zei dat hij de onzin uit mijn hoofd moest slaan.
Een jeugd heeft nooit bestaan. Na acht jaar basisschool ging ik naar de middelbare school in Amersfoort, waar alles naar koekjes rook. Mijn ouders besloten voor mij dat ik maar kok moest worden, zodat het hele gezin altijd goed gevoed zou zijn, alsof ik een soepkip was die nooit leeg raakt.
Drie jaren later had ik een baan in een café aan de gracht, waar de stoelen wiebelden en het licht altijd zacht wiegde als een schip. Mijn vader dwong me eten mee te stelen, maar ik weigerde. Mijn moeder noemde me egoïstisch en zei dat iedereen honger had door mij haar stem klonk als een scheepshoorn op mistige ochtenden. Ze hielden ook mijn eerste salaris in euros. Maar bij mijn tweede loon ben ik gevlucht ik sprong op de eerste trein die over het spoor floot, richting waar de stad en wolken samenkwamen. Het deed er niet toe waarheen, als ik maar weg was uit dat ijzeren huis. Ik wist dat blijven mijn leven zou breken als een oer-Hollandse hagelslag banaan.
Natuurlijk was het zwaar, maar slaaf zijn van mijn ouders was zwaarder. Ik besloot mijn eigen koers te kiezen, ongeacht de tol. Ik schrobde vloeren die zongen onder mijn bezem, veegde drempels met mijn schaduw, en klom in de keuken omhoog als een paling in de regen.
Zelfs toen mijn loon steeg als een bakfiets vol post, spaarde ik. Elke euro legde ik opzij, verzamelde munten die rinkelden als fietsbellen in mijn zak. Ik droomde van een eigen appartement, een plek waar ik de koningin van het behang zou zijn. Al die tijd woonde ik bij een oude dame met een hoed vol plastic madeliefjes. Haar huur was symbolisch, mijn hulp haar tegenprestatie. Die vrouw werd een soort familie, en elke avond stond ze klaar met kruidenthee en zelfgebakken appeltaart. In die momenten leek geluk een haring aan een vlaggetje.
Binnenkort ontmoette ik mijn latere man, met ogen als stormen boven de IJsselmeer. Geen bruiloft gewoon onze handtekeningen op het gemeentehuis in Utrecht, tussen de klokken die de tijd lieten wiebelen. Daarna verhuisde ik naar het huis van zijn ouders, waar de vloer kraakte als een schip in volle vaart. Een paar maanden later werd een dochter geboren, Lysanne, daarna een zoon, Tijs.
Langzaam begonnen de gedachten aan mijn ouders als mist door de kamers te dwalen. Samen met mijn man besloot ik hen op te zoeken in hun huis, waar de tuin overwoekerd was door klaprozen. Ik kocht tassen vol cadeautjes en reisde terug. Toen ze me zagen, begonnen ze te schreeuwen, hun stemmen als scherven in een kaasplank. Mijn broers dronken bier als regen, mijn zus dronk mee.
Mama en papa leken niet eens te merken dat ik iemand bij me had. De kleinkinderen zagen ze niet, ze gooiden de deur dicht een denderende klap als een storm boven de polders. Misschien noem je me kleinzielig, maar ik draaide me om en liep weg, met mijn tassen vol cadeaus en de wind als gezelschap. Zelfs toen hun laatste moment kwam, ben ik niet naar hun begrafenis gegaan. In mijn droom liep de trein door tulpenvelden, en ik liet alles achter behalve mijn eigen hart, dat nu klonk als een klompendans.






