Ik ben 67 jaar oud. Mijn hele leven heb ik me aan routine onderworpen. Tweeënveertig jaar lang werkte ik bij de Rabobank altijd aan hetzelfde bureau, in dezelfde bureaustoel. Daarna ging ik met pensioen. Ik ben nooit getrouwd. Geen kinderen. Ik woon alleen, nog steeds in hetzelfde appartement in Utrecht dat ik huurde toen ik 28 was.
Mensen vroegen me altijd:
Wanneer ga jij trouwen, Kees?
Voel je je nooit eenzaam?
Wat ga je doen als je ouder wordt?
Mijn antwoorden waren altijd hetzelfde:
Ooit, als ik de juiste vrouw vind.
Als ik meer tijd heb.
Als ik nog wat meer gespaard heb.
Als…
Altijd ‘als’.
Toen ik stopte met werken, dacht ik: nu ga ik eindelijk reizen, nieuwe dingen leren, écht leven. Maar de dagen vloeiden in elkaar over. Mijn routine bleef: opstaan, kop koffie, het NRC lezen, boodschappen doen bij de Albert Heijn, terug naar huis, televisie kijken, slapen.
Drie maanden geleden schrok ik van mijn gezondheid. Niets ernstigs, maar mijn huisarts zei:
U bent kerngezond, Kees, maar u bent 67. Zorg goed voor uzelf. Beweeg, ga wat vaker naar buiten.
Maar waarvoor? Met wie?
Vorige week liep ik langs het park bij de Oudegracht, vlak bij mijn appartement. Ik was er nog nooit écht binnen geweest, altijd erlangs gelopen. Daar zag ik een man, ongeveer even oud als ik, schilderend bij een ezel. Ik liep op hem af, benieuwd.
Hij schilderde de bomen, het water, wat eenden op het gras. Geen meesterwerk, maar toch mooi op zn eigen manier.
Vind je het iets? vroeg hij, zonder zich om te draaien.
Het ziet er goed uit, antwoordde ik.
Ik kan helemaal niet schilderen, lachte hij. Ik leer het pas sinds een jaar. Maar ik geniet ervan. Het maakt me gelukkig.
Op je achtenzestigste begonnen te schilderen? vroeg ik verbaasd.
Ja, knikte hij. Mijn hele leven dacht ik: ik zou willen leren schilderen. Toen realiseerde ik me op een dag: waarom niet nu? Ik heb al achtenzestig jaar verspeeld aan ooit. Deze tijd die ik nog heb, wil ik niet meer missen.
Die week bleef dat door mijn hoofd spoken.
Gisteren keek ik mezelf aan in de badkamerspiegel. Een man van 67, die zijn hele volwassen leven wacht op hét moment om te beginnen met leven. Altijd wachtend op perfectie, op gezelschap, op…iets.
Gisteren ben ik een muziekwinkel aan de Steenweg binnengelopen en heb ik een gitaar gekocht. Ik wilde ooit gitaar spelen. Altijd zei ik maar: Ooit.
Ook heb ik me ingeschreven voor een cursus Italiaans op de Volksuniversiteit. Altijd gedroomd om Italië te bezoeken, maar dacht steeds: Wat heeft het voor zin om alleen te reizen?
En ik kocht een vliegticket naar Rome, over vier maanden. Alleen. En dat is helemaal goed zo.
Vanmiddag heb ik een uur gitaar gespeeld. Het klonk verschrikkelijk. Mijn vingers willen niet eens wat ik wil. Maar ik moest hardop lachen om de kakofonie in mijn lege appartement.
Toen besefte ik iets: ik heb 67 jaar gewacht op toestemming, op omstandigheden, op iemand die me zegt dat ik mag beginnen met leven. Op de ideale partner, het perfecte moment, de juiste voorwaarden.
Maar niemand gaat aan mijn deur kloppen en fluisteren: Nu mag je gelukkig zijn, Kees.
Ik ben 67. Misschien heb ik nog tien jaar, misschien twintig, misschien minder. Maar deze jaren ga ik leven. Ik ga slecht gitaar spelen. Ik zet mijn tong krom in het Italiaans. Ik schilder lelijke schilderijen. Ik reis alleen en verdwaal misschien hopeloos.
En dat wordt prachtig.
Aan het eind van mijn leven wil ik niet denken aan alles wat ik niet probeerde, wachtend op dat perfecte moment. Ik wil onthouden dat ik het geprobeerd heb. Dat ik heb geleefd. Dat ik op mijn eigen manier gelukkig was.
Je hebt geen gezelschap nodig om écht te beginnen met leven.
Je hoeft niet jong te zijn.
Je hoeft nergens goed in te zijn om plezier te hebben.
Je hoeft alleen te besluiten dat vandaag de dag is.






