Ik ben 46 jaar en als iemand mijn leven van buitenaf zou bekijken, zou die waarschijnlijk zeggen dat alles goed geregeld is. Ik ben jong getrouwd op mijn 24ste met een harde werker en betrouwbare man. Twee kinderen kreeg ik kort na elkaar, op mijn 26ste en mijn 28ste. Mijn studie heb ik onderbroken; de roosters sloten niet aan, de kinderen waren nog klein, en ik dacht steeds: Daar komt later wel tijd voor. Grote ruzies of dramas zijn er nooit geweest. Alles verliep zoals, volgens de norm, moest.
Jarenlang zag mijn leven er iedere dag hetzelfde uit. Ik stond het eerst op, maakte ontbijt, zorgde dat het huis er netjes bij stond en vertrok naar mijn werk. Precies op tijd kwam ik thuis, zodat ik kon koken, wassen, opruimen en alles kon bijhouden. De weekenden zaten vol met familiebezoek, verjaardagen en verplichtingen. Ik was er altijd, nam altijd mijn verantwoordelijkheid. Ontbrak er iets? Ik regelde het. Had iemand hulp nodig? Ik was er. Nooit vroeg ik mezelf af of ik wel iets anders wilde.
Mijn man is nooit onaardig of gemeen geweest. s Avonds aten we samen, keken televisie en gingen naar bed. Hij is niet bijzonder teder, maar ook niet afstandelijk. Hij had geen grote wensen, maar klaagde ook niet. Onze gesprekken draaiden om de rekeningen, de kinderen en alles wat er moest gebeuren.
Op een doordeweekse dinsdag zat ik alleen in de woonkamer. Het was stil, en opeens besefte ik dat ik niets te doen had. Niet omdat alles geregeld was, maar omdat op dat moment niemand mij nodig had. Ik keek rond in het huis en realiseerde me dat ik dit gezin al jaren draaiende hield, maar eigenlijk geen idee meer had wat ik zelf moest doen binnen deze muren.
Diezelfde dag deed ik een la open met oude papieren en vond ik diplomas, afgeronde én onafgemaakte cursussen, ideeën genoteerd in schriftjes, plannen voor later. Ik bekeek fotos van mezelf uit mijn jonge jaren voor ik vrouw werd, voor ik moeder werd, voor ik de regelaar was. Ik voelde geen heimwee. Wat ik voelde was nog erger: het besef dat ik alles bereikt had zonder me ooit af te vragen of ik dat wel echt wilde.
Toen begon ik dingen op te merken die ik eerder normaal vond. Dat niemand vroeg hoe het met mij ging. Dat ik, ook als ik doodmoe thuiskwam, de boel weer moest organiseren. Dat als mijn man geen zin had in een familiedag, dat geaccepteerd werd, maar als ík niet wilde, dat toch van me werd verwacht. Mijn mening werd gehoord, maar had weinig gewicht. Geen schreeuwpartijen, geen drama maar ook geen plek voor mij.
Tijdens het avondeten zei ik op een gegeven moment dat ik weer wilde studeren, of misschien iets heel anders wilde proberen. Mijn man keek verbaasd op en zei: Waarom nu dan? Niet onaardig, meer op de toon van iemand die niet begrijpt waarom er iets veranderd zou moeten worden wat altijd goed heeft gewerkt. De kinderen zeiden niets. Er werd niet gediscussieerd, niemand verbood me iets. Toch voelde ik aan alles dat mijn rol zo vaststaand is dat eruit stappen ongemakkelijk maakt.
Ik ben nog steeds getrouwd. Ik heb mijn spullen niet gepakt, ben niet vertrokken, heb geen drastische keuzes gemaakt. Maar ik houd mezelf niet langer voor de gek. Ik weet nu dat ik ruim twintig jaar heb geleefd om een gezin draaiende te houden waarin ik nuttig was, maar nooit de hoofdrol had.
Hoe je jezelf terugvindt na zoiets, weet ik nog steeds niet.






