Nu, als ik terugkijk op mijn leven, realiseer ik me hoe anders alles is verlopen dan ik ooit had gedacht. Ik ben inmiddels 41 jaar en heb mijn vrouw nooit bedrogen. Maar voor ik haar ontmoette, was ik allesbehalve een heilige. Nee, ik had nooit een vaste vriendin gehad. Ik was jong, vrij en leefde alsof de dagen eindeloos waren. Op vrijdag sprak ik met de ene vrouw af, op zaterdag stond ik op feesten in Utrecht of Amsterdam. Ik hoefde niemand verantwoording af te leggen, want aan niemand had ik iets beloofd.
Mijn dagen bracht ik door bij een elektronicazaak in Rotterdam, waar het loon meer dan redelijk was. Na het werk trok ik vaak met vrienden naar cafés of naar verjaardagsfeestjes. Soms bracht ik de nacht door bij een vrouw, om de ochtend daarna simpelweg te verdwijnen. Niet omdat ik gemeen wilde zijn, maar omdat ik simpelweg niet op zoek was naar iets serieus. Steevast zei ik: Vastigheid, dat is niets voor mij.
Tot die ene dag, waarop alles veranderde. Ik was in het oude Sint Franciscus Gasthuis in Rotterdam, want er was ergens kortsluiting in het gebouw. Tussen knipperende lampen en klinische geuren kwam ik Fenna tegen, een stagiaire in de verpleging. Ze vroeg me haar te helpen met een kapotte stekker en zo raakten we aan de praat. Ze vroeg hoe ik heette, ik haar ook, en we lachten. Aan het einde van mijn dienst gaf ze me haar telefoonnummer. Diezelfde avond nog stuurde ik haar een berichtje. Niet zoals vroeger, zelfverzekerd of vol bravoure, maar zenuwachtig, bijna onhandig, als een jongen van vijftien.
Onze eerste afspraakjes waren eenvoudig. We wandelden door het Kralingse Bos, aten stroopwafels in het park, deelden een broodje kroket na het werk. Stapje voor stapje verdwenen de andere vrouwen uit mijn hoofd. Niet omdat ze dat eiste; ik wilde gewoon niemand anders meer mijn aandacht geven. Het was al snel overduidelijk: Fenna was absoluut niet zomaar iemand.
Toen ik haar vroeg mijn vriendin te worden, zei ik heel duidelijk: Als wij hieraan beginnen, doen we het goed. Geen half werk. Zij keek me serieus aan en zei: Ik deel niet. Waarop ik antwoordde: Ik ook niet. Op dat moment begreep ik dat trouw niet betekent dat je niet meer omkijkt naar anderen, maar dat je je belofte bewaakt.
We zijn getrouwd zonder poespas, zonder dure bruiloft in een zaaltje aan de Maas. Ons eerste huis samen was een gehuurde kamer met een geleend bed en een elektrische kachel. Overdag werkte ik overuren, Fenna draaide nachtdiensten. We hadden nauwelijks tijd of energie voor grote avonturen, maar we deelden onze vermoeidheid, onze rekeningen en onze dromen.
Verleidingen kwamen toch op ons pad. Op mijn werk begon een collega mij midden in de nacht te appen. Ze stuurde toevallige fotos en zei dingen als dat ik beter verdiende dan een vermoeide vrouw thuis. Eens wachtte ze me op bij de parkeerplaats en vroeg of ik met haar mee ging naar een motel. Ik zei nee. Stapte direct in mijn Opel Kadett en reed naar huis, naar Fenna.
Op een verjaardagsfeest in Delft schoof een dronken vrouw dicht naast me aan. Ze legde haar hand op mijn arm. Ik stond meteen op, zocht Fenna en samen zijn we stilletjes vertrokken. Liever lomp dan dat ik een grens over ging, waarvan ik wist dat ik daar later spijt van zou krijgen.
Mijn vrienden grapten altijd. Volgens hen was ik vroeger een wildebras en nu saaier dan file op de A4. Ze hebben gelijk: ik ben veranderd. Vroeger leefde ik voor mezelf, nu deel ik mijn leven met iemand. En dat is een groot verschil.
Niet zo lang geleden vroeg mijn zoon Wout of ik ooit vreemd ben gegaan. Ik zei: Nee. Hij keek verbaasd op en bekende dat bijna al zijn vrienden gescheiden ouders hebben, vaak door vreemdgaan. Het kwam hard binnen. Ik besefte dat mijn keuzes niet alleen mijn huwelijk vormen ze beïnvloeden ook hoe mijn kinderen naar liefde kijken.
Ik was een losbol zolang ik dat kon zijn, omdat ik aan niemand gebonden was. Maar de dag dat ik koos voor Fenna, besefte ik dat loyaliteit geen ketting is, maar een dagelijkse keuze.
En tot op de dag van vandaag heb ik daar geen moment spijt van gehad.





