Ik begreep nooit waarom mijn vrouw zulke angstige blikken wierp zodra haar moeder op bezoek kwam tot de dag dat ze echt aankwam en ons leven overnam.
Toen mijn schoonmoeder, Hennie, belde om te vertellen dat ze enkele dagen bij ons in Haarlem zou logeren, voelde ik meteen hoe mijn vrouw, Fenna, verstijfde.
Ik begreep daar niets van. Hennie woonde alleen in Eindhoven en kwam zelden langs in ons rustige huisje aan het Spaarne. Het leek mij juist gezellig, wat gezinsleven, ouderwetse spelletjes misschien.
Maar hoe dichter haar komst naderde, hoe meer Fenna in zichzelf keerde.
Waarom maak je je zo druk? lachte ik. Ze blijft maar even, ziet de kinderen, kletst wat bij Wat kan er nou gebeuren?
Fenna keek me aan met de vermoeide blik van iemand die iets weet wat niemand anders weet.
Jij kent haar niet zoals ik, fluisterde ze.
Ik haalde mijn schouders op. Ze overdreef. Dacht ik.
Toen kwam Hennie, als een stormwolk, met twee reusachtige koffers alsof ze een jaar wilde blijven. Nog voor ze goed en wel binnen was, gleden haar haviksogen over het interieur, als een keurmeester op inspectie.
Eerst leek alles normaal. Ze gaf knuffels, strooide zakjes snoep uit en schonk ons zelfgemaakte appelstroop, koek en bakjes stamppot uit haar voorraad.
Ik lachte om Fennas zorgen. Dit leek toch allemaal vriendelijk?
Tot de volgende ochtend.
De droom begon te tanen.
Is dát jullie koffie? Wat vreselijk slap! Hoe krijgen jullie dat door je keel? sisde Hennie toen ze me zag nippen.
Ik lachte nog, dacht ze maakte een grap.
Ze was nog lang niet uitgepraat.
Die gordijnen zijn om te huilen. Donker, ongezellig. Daar moeten nieuwe voor komen.
Waarom staat de bank hier? Dat klopt voor geen meter. Alles moet om!
Weet je niet hoe je moet afwassen? Eerst afspoelen met heet water, dan schrobben, dan nógmaals spoelen!
Langzaam ontgleed ons het huis. Overal werden regels opgelegd; onze vaste patronen verdwenen als rimpels in een vijver.
Fenna zweeg, haar mond gespannen als een dichtgestrikte klomp. Ik zag hoe ze zich inhield.
Maar Hennie was pas net begonnen.
Het was een scène die me bekend voorkwam, als in een terugkerende droom. Een paar maanden geleden was ze bij Fennas zusje Linde in Breda geweest. Ook daar zou ze twee weken blijven; ze vertrok na vier dagen.
We snapten er niks van Linde was altijd vriendelijk, ongecompliceerd.
Steeds duidelijker werd het: ook bij Linde draaide Hennie de boel om, bepaalde hoe de kinderen zich moesten gedragen, zette de borden anders in de kast, zei zelfs hoe er moest worden gegeten.
Linde had haar galant naar station Breda gebracht zonder woorden, koffer vooruit gerold over het perron.
En nu was het onze beurt, gevangen in dezelfde mallemolen.
Op dag vier hing er een loodzware stilte in huis. Toen ik thuiskwam, vond ik Fenna roerloos aan tafel, starend naar het tafelkleed als naar een oneindige polder.
Ik schoof aan. Ze fluisterde: Ik trek dit niet meer
Die ochtend was Hennie losgeslagen.
Geen fatsoenlijk ontbijt voor je man? Alleen een boterham? Hij is toch geen kind meer?
Je belt me nooit! Een dochter hoort haar moeder aandacht te geven!
Ik zat te denken wat als ik gewoon bij jullie kom wonen? In Eindhoven zit ik maar alleen, hier heb ik tenminste familie
Dat was het eindpunt. We beseften: als we niets deden, zou ze nooit vertrekken.
De volgende ochtend verzamelden we onze moed en vertelden haar dat het tijd was om terug te gaan.
Hennie verstijfde.
O, nu snap ik het. Ben ik lastig voor jullie? Jullie willen mij ook het huis uit, net als Linde hè?
We probeerden uit te leggen dat we ruimte nodig hadden, maar ze wilde niets horen. Zwijgend pakte ze haar reusachtige koffers en verdween. Geen groet, niet eens een blik.
Wat overbleef, was stilte. Het soort stilte dat in dromen klinkt als water onder een brug. Fenna en ik zaten zwijgend met een kopje thee, nog altijd verdwaasd van de afgelopen dagen.
Denk je dat ze dit ooit zal vergeven? vroeg Fenna zacht.
Ik haalde diep adem. Ik weet het niet.
Maar eindelijk voelde ik mijn schouders ontspannen.
Een week later belde Linde.
Ik kan niet geloven dat jullie dit mama hebben aangedaan! riep ze, verbolgen.
Fenna en ik keken elkaar aan. Wat een ironie.
Bij haar was het net zo gegaan: na vier dagen had Linde haar weggestuurd en nu veroordeelde ze ons.
We zwegen lang na afloop van het gesprek, verzonken in kromme gedachten die voorbijdreven als wolken over de Hollandse velden.
Worden alle ouders zo als ze ouder worden? Dwingender, meer aanwezig, verstikkender?
En de meest beklemmende vraag van allemaal
Zouden wij ooit zelf zo worden?





