Het zomerhuisje dat ik erfde van mijn ouders lag verstopt in een hoekje van Nederland waar de tijd langzaam leek te stromen, een stukje polder dat maar net boven het water uitstak, met een scheve hut die amper het woord huis verdiende.
Mijn familie drong erop aan: Verkoop het toch, de grond ligt zo ver weg, je moet alles herbouwen, en wie wil er nou nog een zomerhuisje, Sarinde? Zo praatten ze, nuchter en weinig dromerig.
Maar ik zei: Laten we zelf beslissen wat we hiermee willen doen.
Mijn man Maarten en ik verdienden goed geld, onze dochter Veerle was volwassen. Dus besloten we de grond niet los te laten hier zouden we een huis bouwen, een plek om het hele jaar te wonen, waar we in de zomer adem konden halen en in de winter de stilte hoorden in de rietvelden.
Als we klaar waren met het drukke leven in Amsterdam, zouden we Veerle het appartement nalaten en zelf hier terugkeren, tussen het gekabbel van de sloten en de geur van nat gras. Het mooiste was: zelfs in de winter werden de landweggetjes schoongeveegd en waren water en stroom altijd beschikbaar er woonden hier zelfs mensen als de mistsluiers het landschap bedekten.
Al onze spaargelden en drie jaar van ons leven gleden als drijvende eenden door dit huis. We gaven elke euro uit en namen een lening, maar het lukte. Het huis werd royaal, met een lichte woonkamer en vier andere kamers, overal vloerverwarming en panoramaramen waar de wind tegen fluisterde.
Tijdens de bouw hielp Veerle soms een handje mee. Af en toe vroegen we Maartens broer Bram of zijn zus Marloes om hulp zij gaven altijd nul op het rekest, en zelfs mijn schoonmoeder Anne, die op een steenworp afstand woonde, wilde alleen voor onze poes Minoes zorgen als we echt geen tijd hadden.
Maar het antwoord was steevast: Jullie zijn eraan begonnen, regelt het zelf maar, bemoei ons er niet mee. Gek genoeg voelde ik geen boosheid ergens hadden ze gelijk.
Toen het huis af was, gaven we een feest en vanaf dat moment begon het. Elk weekend druppelden er gasten binnen, soms voelde het alsof ik in een driedimensionale schilderij leefde, waarin mensen in en uit wandelden door deuren die ik niet kende. Ik raakte vermoeid van het feest dat nooit ophield.
Toen er op mijn werk geen nieuwe grondstoffen voor de kaasfabriek werden geleverd en we collectief een week verplicht verlof kregen, besloot ik af te reizen naar het huis om te ademen. Mijn schoonmoeder hoorde dat ik er zat, en het duurde niet lang voor ze tegen de ochtendmist aankwam en een week bleef, als een meeuw die wacht op broodkruimels.
Elke keer als ik me omdraaide in het huis, begon er iets vreemd te gebeuren; als ik even boodschappen ging doen, vond ik haar buiten, al bietjes plantend in de tuin. Ze commandeerde me alsof ik een personage was in haar eigen droom. Mijn protest: Het is ons huis, wij besluiten wat we planten, leek te verdwijnen in de zoute wind boven de sloot.
Tot ik alle tuingereedschap heb moeten vergrendelen, maar zelfs toen bleef ze scharrelen door het huis, dingen verplaatsen, alsof de stoelen konden praten. Op een dag belde ik Maarten en zei: Het is genoeg, ik trek het niet meer. Hij kwam haar halen, en ik voelde de lucht weer bewegen.
Niet lang daarna belde Bram dat hij met zijn gezin kwam logeren. Ik zei nee. Ik legde uit dat ik ook rust zocht, dat ik na een week met Anne in het huis zoveel pauze nodig had als een Hollander tijdens Koningsdag.
Hoe mooi zou het zijn als mensen zich als gasten gedroegen? Maar ze ontregelden alles: de koelkast leeg, afval achterlatend, geen vlees meenemend of helpend met de afwas. Ik was er alleen voor de scherven.
Twee dagen later belden ze weer, maar deze keer was het verrassend luchtig gewoon een praatje over niets, of alles, zoals dat in het veenlandschap kan zweven. Ik was even verbaasd.
Op de fabriek liep het weer mis met de leveringen en ik was voor niets naar Amsterdam gereisd. Maarten zei dat hij afreisde naar het huis en dat ik hem daar kon treffen.
We kwamen samen aan, de deur stond open. Toen stapten we binnen, en daar waren ze: al mijn schoonfamilie. Alsof ze waren opgeroepen door een onzichtbare wind om juist onze woonkamer tot hun feestlocatie te kronen, zonder ons.
Blijkbaar hadden ze tijdens hun eerste bezoek een reservesleutel meegenomen. Nu hadden ze gebeld om te checken of we in het huis waren, en omdat we weg waren, besloten ze het te bezoeken. Voor onze ogen speelden ze verjaardagsfeestjes in onze wereld.
We zetten hen direct het huis uit. De volgende dag werden de sloten vervangen. Twee weken later nam ik ontslag en trok er definitief in. Maarten stopte met werken op kantoor, werd een thuisboekhouder en regelde alles online tussen de tulpen en het klotsende water.
Nu zijn we grootouders, en dit huis staat er voor Veerle en onze meisjes. Niet voor wie met vakantieplannen en hun eigen regels onze dijken willen overstromen.






