Het leven van Loesje
Loesje kwam hier vaak, lang geleden.
Met een grote boodschappentas stapte ze uit de bus aan de rand van het kerkhof, zette haar baretje recht, keek onderzoekend om zich heen. Nadat ze langs de hoge smeedijzeren poort het terrein opliep, liep ze langzaam, al zijn lanen tellend, tussen de grafhekken door. Op een gegeven moment sloeg ze rechtsaf, stapte behoedzaam over verwilderde, verlaten grafjes. Soms zette ze haar tas even neer, ordenende wat bloemen op andere graven of rechtzette door de wind omgevallen lantaarns. Ze zuchtte dan diep.
Loesje had fijne gelaatstrekken, mooi, teder. Maar haar schoonheid voelde ze niet; Loesje hulde zich in haar schouders, in zichzelf, alsof ze wilde verdwijnen tussen alles en iedereen.
Haar kleren waren eenvoudig, goedkoop, dat was wat het salaris toeliet. Zwier en glans zouden moeten wachten.
Trouwen? Daar kwam Loesje niet aan toe.
Wie wil er nou zo eentje trouwen? fluisterden haar collegas steevast in het dameswashok wanneer Loesje zich stond te douchen. De een keek met stille medelijden, de ander onverschillig, een derde zelfs met een vreemd soort jaloezie. Waar die vandaan kwam? Misschien om haar ziel. Maar wie is er gelukkig met alleen een ziel? Misschien benijdde men haar om haar jeugd dat alles nog openligt en je in een betere toekomst mag geloven.
Na hun dienst dromden de vrouwen, bezweet van het werk in de bakkerij, samen in het washok. Terwijl het gist en de geur van warm brood in hun kleren trok, schuurden ze hun vermoeide, zware benen. Daarna deden ze wat make-up op, kamden hun haar en vlogen de stad in, naar winkels, afspraken of ontmoetingen.
Alleen Loesje ging gewoon naar huis.
Ze had geluk, dat voelde ze diep van binnen. Haar eigen woning: een kleine flat, oude behangetjes, met uitzicht op de blinde muur van het naastgelegen belastingkantoor. Geen bomen, geen lucht, alleen die betonnen wand hoe belangrijk was dat? Haar eigen plekje, dat was wat telde; warm, rustig.
s Ochtends deed Loesje altijd gymnastiek: armen zwaaiend, dribbelen, buigen. Dan staken haar ruggenwervels scherp af tegen haar huid, als kralen op een streng, een inkeping van haar ondergoed zichtbaar in haar broze lijf.
Na het ontbijt vertrok ze naar haar werk.
Ook dáár had Loesje geluk gehad. Meteen na de huishoudschool had ze een baan gekregen als bakker bij een grote broodfabriek in Zaandam.
Waarom ben je altijd zo stil? riepen de vrouwen haar toe. Je hoort erbij, Loes! We zijn als familie hier!
Maar Loesje leek niet bij deze familie te willen horen. Ze hield zich op de achtergrond, maar was nooit onaardig of somber tegen iemand. Gewoon op zichzelf.
Loes! Ga je mee naar het café? Het is Jorinas verjaardag, even de boel laten waaien, dansen! fluisterde Reina, glurend naar de klok. De dienst liep op zijn eind.
Dank je, Reina, ik moet echt naar huis, zei Loesje zacht.
Ach, moet toch kunnen! Wat, heb je een kind thuis? Zorg je voor iemand? Kom op, Loes! drong Reina aan, altijd vrolijk, misschien soms net té, maar achter die uitbundigheid lag een diep verdriet.
Toch niet, Reina. Maar bedankt. Jorina, gefeliciteerd, stotterde ze, haar blik neergeslagen.
Goed. Reina boog zich iets voorover. Heb je überhaupt een jongen, Loesje?
Nee.
Heb je ooit iemand gehad?
Moet dat nu? Loesjes hoofd zakte nog verder tussen haar schouders.
Nee, ze had niemand.
Kom op, meid, we willen het gewoon weten. Wij zijn geen vreemden, Loesje!
Juist wel, antwoordde Loesje opeens. Echte familie vraagt dat niet. Laat me gewoon mijn werk afmaken.
Het hele groepje schoot in de lach. Niemand ging graag tegen Reina in; dat had meer met haar temperament te maken, dan respect.
Reina knalrood, haar stem hoger. Ho ho, kijk haar nou! Van haar bolletjes zeker? Je bent gek, Loes! We wilden je alleen helpen we weten toch allemaal dat je uit het kinderhuis komt, dat je geen knuffels gewend bent. Wij gunnen je iets beters!
Ik héb ouders. Of eigenlijk, gehad, verbeterde Loesje zichzelf, zonder ook maar een trilling. En hoe het bij ons is, daar weet jij niets van, Reina. Ik red me prima.
Reina was echt gepikeerd. Waarom, dat wist ze zelf misschien niet eens. Ze wilde om onverklaarbare redenen dichterbij haar staan, maar Loesje hield afstand.
Toen Loesje even later, doornat geregend, thuiskwam, warmde ze zichzelf lang in de douche en kroop vroeg onder de dekens. Morgen, haar vrije dag, zou ze weer naar het kerkhof gaan. Naar hen.
Ze liep over de zompige aarde tot haar vaste grafje, zette haar tas neer, haalde een zakdoek uit haar jas en wreef zachtjes de modder van de portretfotos: een norse, maar knappe man in militair uniform, al wat ouder zijn slapen grauw en een vrouw met zachte, heldere ogen.
Steevast hoopte Loesje dat de vrouw zou glimlachen, al was het maar een klein beetje maar de vrouw glimlachte nooit.
Kramer A.J. en Kramer G.P., stond er in sierlijke letters onder de fotos.
Loesje trok tuinhandschoenen uit haar tas en verwijderde dorre bloemen, weggewaaide bladeren van het graf.
Later haalde ze nat zand, die uit grote bakken achter bij de kapel stonden, om het water dat steeds naar het graf stroomde in de laagte, te dempen.
Terwijl ze een emmer sleepte, begon het harder te regenen. Haar jas, ooit felblauw, werd zwaar en somber. Haar baret plakte aan haar voorhoofd. De emmer had een scherpe rand die haar knie schampte en de panty deed scheuren; een dun straaltje bloed liep over haar been.
Eerst even ontsmetten, schoot automatisch door haar hoofd. Maar tegelijk dacht ze: Straks maar, nu niet.
Hoog haar kin, weerhield ze zich ervan zich aan te stellen over een wondje. Ze was de dochter van een militair; een krasje hoorde erbij.
Het natte zand verspreidde ze zorgvuldig over het grafje, over de plek waar ooit goudsbloemen en sleutelbloemen groeiden. Loesje trok ze er resoluut uit; straks kwamen de muizen nog. Ze had nooit in een tuin gewerkt, maar voelde precies aan hoe het moest.
Ziet er netjes uit, nietwaar? zei ze zachtjes. Sorry dat het niet zo mooi verdeeld is, zand is zwaar als het nat is. Niet boos worden Pap, gisteren reed ik zwart in de bus. Ja, ik weet het, ik had niet moeten doen. Ik was mn geld kwijt, schaamde me Ik zal voortaan lopen.
Ze praatte verder, over Reina, haar werk, hoe fijn het thuis was en hoe schoon ze het hield want zo had haar moeder het haar geleerd, streng soms, maar altijd helder.
En, mam, ik heb een kookboek gekocht, ik ga goed leren koken! Wie weet komen er ooit gasten over de vloer. Maak je geen zorgen, mam, ik ga geen borrels drinken hoor, en geen servies kapot gooien.
Loesje schokte op van een snik, die niet meer tegen te houden was. Uitrusten, en de stilte.
Totdat iemand haar op de schouder klopte.
Ze schrok, stond op, draaide zich om en gleed uit in de modder, maar werd stevig vastgepakt.
Reina? fluisterde Loesje verbaasd.
Loes? Wat doe jij hier? Reinas toon was aanvankelijk bits. Je komt toch uit het tehuis! Daarom heb jij die flat gekregen, dat is me duidelijk verteld bij Huisvesting. Wij staan met zn drieën al jaren op de wachtlijst. Jij krijgt alles zomaar voor wie heb je dan een huis nodig, je hebt toch niet eens een man! Reinas stem trilde boos, maar daarna werd ze zacht. Ach, misschien is het wel goed. Jij moet leren alleen zijn. Wij zouden anders misschien maar rottigheid uithalen in zon huis. Maar, Loes, waarom kom je hier?
En jij dan? vroeg Loesje zacht.
Ik kom bij mijn tante. Zie je daar, onder die berk? Geen lieve vrouw hoor, Loes. Sloeg erop los als ze zin had, maar ze heeft me wel opgevoed. Nam me in huis toen ik klein was, deed haar best. Moeder stierf toen ik geboren werd, vader een zwerver, reisde het land door. Tante kreeg geld voor mijn onderhoud. Maar uiteindelijk, op haar sterfbed, gaf ze het huis aan mijn vader! Kan je het geloven? Dus nu wonen ze daar met zn allen en ik zit in een kamertje in het pension.
Reina schopte een klont klei richting de grafsteen van de familie Kramer. Sorry, hoor, ik zal het opruimen! Maar Loesje was Reina al voor.
Jij houdt niet van haar, zei Loesje, waarom kom je dan?
Omdat het hoort. Reina zweeg even. En jij? Waarom kom jij? Die mensen op de fotos, die zijn toch niet jouw familie? Je komt niet eens uit deze buurt!
Loesje vertelde haar stem zwak, maar vastberaden: Ik kende deze mensen niet echt. Ze woonden tegenover mijn flat. De vrouw liep altijd met een oude teckel, donkerbruin, vriendelijk. Ik deed alsof ze mijn moeder was als ik hen zag wandelen. Is misschien kinderachtig. Maar ik wilde graag dat er iemand was. Gewoon iemand.
Met die flat heb je wel mazzel hoor, daar mag je trots op zijn, zei Reina. Hoewel Ach, misschien is het wel goed voor je, leren op jezelf te zijn. Mijn tante geloofde in God, overal hingen iconen na haar dood zijn ze allemaal verkocht. Het was niet belangrijk voor mij. Maar jij jij maakt alles netjes, en zorgt. Jij gelooft in iets. Zeg, zou jij in principe bij elk graf zo kunnen gaan zitten?
Nee. Deze familie voelde goed. Ze waren vriendelijk, al spraken ze weinig met mij. Ik stel me gewoon voor dat zij mijn ouders konden zijn. Hun graf wordt vergeten, ik heb er geen moeite mee iets voor ze te doen.
Maar jij hebt ze niet begraven? Reina klonk ineens ontdaan.
Nee, ik weet dat ze door een auto-ongeluk zijn omgekomen. Op de begrafenis mocht ik niet komen, er waren veel militairen ik durfde niet. Maar daarna ben ik gewoon gegaan.
Jij bent echt vreemd, hoor, Loes.
Samen stonden ze op. Loesje ruimde haar kleine harkjes, schepjes, oogde als speelgoed, maakte ze zo schoon mogelijk en stopte alles in haar tas.
Reina goot wat water uit een bekertje over haar handen en haalde haar eigen zakdoek tevoorschijn.
Dank je, hoeft niet droog het wel aan mijn jas, zei Loesje. Haar moeder, de vrouw die ze nooit écht had, zou haar streng hebben toegesproken.
Wat ben jij een apart geval, mompelde Reina. Misschien ben je een beetje van het padje, Loes?
Dat kon. Vriendinnen had ze niet, vertrouwde ze toe. In het kinderhuis was daar iemand Jettina heette ze, maar die woonde nu ver weg, kende haar adres niet eens. Dus was ze alleen. Maar deze mensen van het graf soms dachten ze aan haar, voelde ze.
Bovendien, wie weet, misschien begon er nu iets als vriendschap te groeien.
Ze stapten samen in de bus naar huis, kletsend over niets, te moe en te koud voor grootse onderwerpen.
Sorry dat ik zo lomp ben, je kunt beter uitkijken met mij, zei Reina na een tijdje zacht. Daarom hield mijn tante ook niet van me. Moeilijk karakter.
Maar je bent heel mooi, fluisterde Loesje onverwacht, eerlijk als een kind.
Reina glimlachte. Dank je. Misschien wordt het ooit nog eens wat tussen ons.
***
Ooit, in een flat aan de gracht in Haarlem, werd een meisje geboren.
De verpleegster mevrouw Van Altena legde het kindje op Galinas borst. Een meisje, zei ze kortaf moe van de vele bevallingen.
Galinas zus Olga woonde tijdelijk bij haar in huis. Olgs man, Wouter, was altijd onderweg voor werk, bleef zelden lang. Olga klaagde, huilde, riep dat het Galinas schuld was dat Wouter wegging, dat ze daar maar eens wat van moest zeggen. Galina hield zich stil en zorgde zo goed als het ging.
Het was Olgas vijfde zwangerschap, en opnieuw hield ze het niet vol tot het eind. Na zoveel ziekenhuisbezoeken, onderzoeken en slapeloze nachten was haar hoop verdwenen.
Laat de dokters maar, ik zet liever een kaarsje in de kerk, zei ze overtuigend tegen Wouter.
Hun dochter, Reina, kwam te vroeg acht maanden, te licht, met de navelstreng tweemaal om haar hals. Ze huilde niet eens; alleen een zacht gepiep.
Ze ademt, meer hebben we niet nodig. Maar moeder, waarom heb je jezelf zo verwaarloosd? foeterde de dokter.
Maar Galina schonk geen antwoord. Ze klemde Olgas hand en voelde haar pols: die bracht geen soelaas.
Wouter, de vader, verzorgde kort het pasgeboren kind, maar verliet het huis voor zaken voor altijd.
Maar Wouter, je kunt het niet maken! Jij bent haar vader, Reina is je dochter! riep Galina wanhopig.
Hij liet wat euros achter. Hier. Voor wie weet wanneer ik weer wat stuur. Jij gaat het regelen. Daarna verdween hij.
Galina werd voogd over kleine Reina, terwijl ze aan haar eigen werk probeerde vast te houden. Na drie maanden ging Reina naar het kindertehuis, want Galina had geen keuze.
Door al die zorgen verzuurde Galina ze werd harder voor zichzelf en voor de wereld.
Op diezelfde afdeling in het ziekenhuis lag destijds een vrouw, moe, haar schoonheid verdwenen, tranen op haar gezicht. Met moeite hield ze haar pasgeboren dochter vast. Ze was ooit gekomen als een pop, gekapt en opgemaakt. Haar man een officier begeleidde haar, maar vertrok meteen.
Weet je, hij kwam haar niet brengen om een kind te krijgen, maar als een boodschap naar de kruidenier, grinnikten de verpleegsters tegen elkaar. Mannen zouden eigenlijk bij elke bevalling moeten zijn, misschien leerden ze dan wat.
Maar meneer Kramer, de officier, bleef buiten. Hij had net te horen gekregen dat het kind niet van hem kon zijn. Reken zelf maar in het sanatorium is ze zwanger geraakt, ik was toen niet eens in de buurt, kreeg hij te horen van een kwaadwillende. En Anton geloofde dat, haatte zijn vrouw en besloot: geen schandaal, het kind moest naar het tehuis.
Galiná smeekte: Hij is van jou! Echt waar! Maar het hielp niet.
Ze werd niet gespaard door het lot en gaf haar kind af aan de staat. Het komt wel goed, zei Galina tegen zichzelf, leert ermee leven.
Zo belandde Loesje in het kindertehuis. Ze kreeg haar naam uiteindelijk van Galina.
De familie Kramer zocht haar nooit. Ze kregen later een zoon, zoals het hoorde. Anton zette zijn pijlen op het gymnasium in Breda, zijn familielijn was veiliggesteld.
Galina hield van de zoon, vertelde de arts altijd dat ze twee geboortes had gehad, maar de eerste was niet levensvatbaar.
Galina vond zichzelf gelukkig. Al bleef er een leegte. Ondanks alles trouwde ze nooit weer.
Reina vocht zich een weg trots, koppig, zelfstandig. Galina liet haar uiteindelijk los, kon niet opbrengen van Reina te houden zoals een moeder zou kunnen.
En bij haar dood had Galina niet eens de kracht haar nichtje vergiffenis te vragen. Misschien had ze haar nooit echt leren liefhebben.
***
Niemand van hen wist dat twee eenzamen, Reina en Loesje, samen met de bus mee dansten over koude Hollandse wegen, naast elkaar in de stoeltjes, stil, starend naar de waterige luchten van Zaandam.
Vreemd is het lot: Loesje, jong, dwaas misschien, had als ouders juist die mensen gekozen die haar ooit afwezen. Vreemd dat Loesje nu de nicht van Galina kende, terwijl ze Galina nooit had weerhouden van haar beslissing.
Twee jonge vrouwen op dezelfde stoep, richting Loesjes huis.
Ik haal wel even aardappels! Ik kom niet met lege handen! mopperde Reina, nerveus.
Niet nodig. Je bent al door en door nat! Kom, naar binnen! Eerst douchen, dan kook ik wel wat. Ik heb een culinair boek gekocht! Je bent mijn eerste echte bezoek! riep Loesje tevreden.
Geen gedoe hoor! Doe maar een eitje met spek. Of er nog wat ui is, Reina nieste en beiden lachten.
Waarom zouden ze rouwen? Het leven lag voor ze open. Hun eigen, hun enige. Met een prille vriendschap die zo nodig was.
En het verleden? Dat bleef bij de rivier, vervaagde in de regen. Nergens voor nodig.
Loes, ik ga trouwen, zou Reina zacht zeggen, twee jaar later.
Echt waar, Rei? Wat ben ik blij voor je! Je bent gelukkig, dat is het mooiste wat er is! Loesje draaide in het rond, wijd haar armen. Reina had haar een prachtige jurk genaaid, en alles voelde licht en nieuw.
Het verleden kon daar niet meer tegenop.
Loesje bezocht het graf van de familie Kramer niet meer. Hun zoon was gekomen, had haar weggejaagd, net als haar zus.
En later zat die zoon daar, op de rand van het hek, alleen voorbijgegaan aan zijn eigen verleden.






