De laatste kop koffie
Het lijkt alweer zo lang geleden, die avond waarop de sneeuw plotseling in dikke vlokken uit de Hollandse lucht viel. Geen mager laagje dat de stoep half verstopte, geen dunne vacht die aan de gesnoeide heggen of de houten hekken aan de grachten bleef hangen, maar echte sneeuw. Alsof een ouwe oma ergens in een scheefgezakt Amsterdams huis haar versleten kussen had opengescheurd en de inhoud rijkelijk over de hele stad had uitgestrooid. Misschien leek het nog het meest op het bloem dat moeders vroeger in afwachting van visite royaal over het aanrecht uitstrooiden voordat het gistdeeg er zachtjes op werd gelegd.
Alles werd onder een zuivere deken gelegd: de vuilbesmeurde klinkers, de grijze asfaltstukken rond de verwarmingsbuizen, het bruinzwarte zand van de bouwplaats verderop wit, als de jurk van een bruid, of de ijle gedachten die ze misschien heeft voor het altaar.
Voor brasserie t Hert aan de Herengracht, waar de serre elk jaar was versierd met kleurige lampjes en rode kerststerren, stond nu een hele rij mensen bibberend te wachten. De jonge garderobemedewerker, Jan-Pieter, slank en altijd met vuurrode wangen van de zenuwen, deed zijn best om alle jassen, mantels en sjaals zo snel mogelijk in ontvangst te nemen. Zijn handen trilden soms zo, dat hij de hoeden nauwelijks goed kon ophangen en steeds weer verontschuldigend mompelde naar de bezoekers. Nog geen maand werkte hij hier, dankzij tante Anneke bij wie hij nu al een tijdje logeerde.
Het lijkt de haringdagen wel! Kan het niet iets sneller, jongeman? mopperde een stevig gebouwde meneer met uitpuilende buik onder zijn colbert.
Zijn vrouw met krentenkapsel en bezorgde blik suste hem onmiddellijk, wreef alsmaar haar handen tegen elkaar, fluisterde haast smekend naar Jan-Pieter: Het was gewoon een zwaar jaar, meneer hij is moe, hoofdpijn, je weet wel Sorry Dion, hou nou op, straks kijken de mensen!
Maar Dion liet zich niet sussen. Met een verbleekt hemdsmouw zat hij ineens aan de mouw van Jan-Pieter, zijn stem scherp als een kraai boven het geroezemoes. Hoor je dat, jongen? Mij krijgen ze er niet onder! Ik heb mijn deel ruimschoots gehad. Snap je?
Jan-Pieter knikte, alsof hij het allemaal begreep. Maar hij was het zo gewend geraakt aan het ondersneeuwde gevoel dat anderen hem klein hielden. Op die koude ochtenden vroeger, in de smalle keuken van zijn achterhuis in Leiden, had vader altijd gezegd Jij eet wel het brood van een man, maar werken lukt niet, Jan! Zelfs de handelsschool haalde je niet! Je doet maar wat!
En ja, hij had het niet gehaald, hoewel hij zo hard zijn best had gedaan. Opeens, bij het toelatingsexamen, werd alles zwart in zijn hoofd; het enige wat overbleef was een langgerekt, dof gezoem. Vooral die week, toen moeder elke dag in het ziekenhuis lag. Dat is hem weer, had hij gevoeld. Straks, als het maar snel voorbij is, wordt alles lichter.
Toen hij haar hand vasthield, dacht hij alleen maar: waarom blijft iemand eigenlijk, als ze bij iemand blijft die haar telkens pijn doet? Tante Anneke had ooit gezegd: Dat zit soms dieper, Jan iemand is zo, en alleen als ze het zelf wil, verandert het Jij hebt genoeg meegemaakt, jongen. Kom bij mij maar wonen, het gaat wel goedkomen met jou.
Zo was Jan-Pieter dus garderobemedewerker geworden in die drukke koude winter. Anneke had een goed woordje voor hem gedaan. De andere mensen leken het allemaal gezellig te vinden vanavond, schaarden zich lachend rond de tafels. Jan droomde er slechts van om even met Anneke Oud & Nieuw te vieren, of bij een vriend op bezoek te gaan maar misschien kon dat volgend jaar.
Er was die avond een oudere vrouw, Johanna genaamd, met een zachte glimlach en helderwitte blouse onder haar nette colbertje. Haar kijk was vast, haar houding waardig. Gelukkig Nieuwjaar alvast, wenkte ze hem. Johanna droeg sjaal losjes om haar nek die verborg een litteken van een operatie die haar het afgelopen jaar door diepe dalen had geholpen.
Ze ging met haar man, Pieter, bij het raam zitten. Terwijl buiten de sneeuw viel, hield Johanna haar geliefde hand vast. Heb je die jongen gezien in de garderobe? Zon aardige knul Hij lijkt op onze Maarten, weet je nog?
Maarten was hun zoon, die vanavond nog zou komen. Maar het was goed het belangrijkst was dat ze samen waren. Pieter mompelde iets over de kleine letters op het menu, Johanna plukte zijn bril van zijn hoofd, gaf hem een zoen op de wang zoals vroeger bij de waterkant. Alles aan deze avond voelde plotseling kwetsbaarder, waardevoller.
Ondertussen liep Jan-Pieter zwetend heen en weer tussen de gasten. Daan, een vlotte jongen in een strak pak, kwam binnen met zijn vriendin Manon aan zijn arm. Manon, nauwelijks uit de schoolbanken, voelde zich zo trots met Daan hij had een mooie auto, een hip appartement alles wat ze zich als tiener in Zutphen had gewenst. Voor het eerst dineerden ze nu uitgebreid in zon Amsterdams restaurant; haar grootmoeder zou het niet geloven!
Daan fluisterde: Voor jou, meisje. Het mooiste jaar begint nu! En stiekem hoopte Manon dat dat ook werkelijk zo was.
Tegen negenen vulde de brasserie zich; overal schoten lichtjes, glazen klonken. Johanna lachte naar haar familie, Peter boog zich over zijn bord huzarensalade en blies de kaarsen uit. Volgend jaar doen we Oud & Nieuw gewoon weer thuis, schat, beloofd!
Elders in de zaal zat Dion mokkend over de krant, zijn vrouw probeerde hem te kalmeren. Iedereen verlangde naar het einde van het jaar, verlangde naar iets nieuws. Daan en Manon lachten zenuwachtig, Daan tikte haar hand aan alsof alles eenvoudig was geworden het afgelopen uur.
Terwijl de gasten feestvierden, opende een onbekende man in een versleten jas zachtjes de deur en sloop naar binnen zijn gezelschap, een knaap in een felrood gebreid sjaaltje. Met een knik kregen ze van Jan-Pieter een tafeltje. De man was stil, kalm; zijn handen omklemden de kop koffie alsof dat het laatste was wat hij zich herinneren kon van de voorbije jaren. Raar zo koud. Alles lijkt voorbij?
De knaap gaf hem een vriendelijke stomp: Niet zo zwaarmoedig, baas. Laat het oude maar los. Straks zul je zien dat het nieuwe alles anders maakt. Echt waar.
In heel de zaal werd getoost ook Jan-Pieter, met een kop hete thee, dacht aan zijn moeder heel ver weg in Leiden, aan tante Anneke thuis, aan zijn eigen nieuwe beginnetje. Hij voelde zich sterker nu; misschien kwam het door de sneeuw, misschien door die zachte Hollandse stemmen, het licht, het idee dat zelfs al was niet alles goed geweest, er toch elke dag een straaltje gebeurd was dat telt.
Langzaam toog de onbekende man zijn jas weer aan, schoof een paar euros over tafel voor de koffie en knikte naar de jongen in het rode sjaaltje. Kom, het is jouw beurt. De jongen lachte, een beetje zenuwachtig nu zijn rol begon.
Doe wat je moet doen, zoon! En wees niet bang alles komt goed. Echt waar. Tot ziens! zei de oudere man voor hij verdween in de witte wolkenbui buiten. Vanaf de gracht zag Jan-Pieter zijn gestalte vervagen, alsof de sneeuw zelf hem had meegenomen.
Daags erna, zo herinner ik me nu, haalden alle mensen het oude kalenderblad van de wand, bladerden hun gedachten even na als kralen aan een rozenkrans. Alles wat ze hadden meegemaakt, het goede en het slechte, werd een klein lampje in de lange slinger van hun leven. Elk moment was belangrijk, voelde kostbaar als sneeuw op kinderkleding of als de geur van wasgoed dat hangt te drogen in de winterzon.
Toen de klok twaalf sloeg, omhelsden ze elkaar. Pieter drukte Johanna stevig tegen zich aan, Daan en Manon kusten elkaar. En Jan-Pieter, met het nummertje van de jas van de onbekende in zijn hand, voelde dat iets nieuws begon. Soms, denk ik nu, begint het goede al voordat je het beseft.
En op het podium was het de jongen in het rode sjaaltje die het laatste woord kreeg. Aan hem was het feest, en niemand kon weten wat het volgende jaar brengen zou behalve dat ze samen waren, nu, hier, en dat was genoeg.






