Eindpunt Hij legde zijn hand op de stang, trok zich de bus in en voelde meteen zijn linkerknie zeuren. Al sinds de ochtend; tegen de avond leek het wel van lood. De dienst liep ten einde, nog twee rondjes te gaan, maar juist die avondritten leken altijd langer te duren. Hij plofte op de stoel, checkte met een geoefende beweging de spiegels, klikte het licht aan in de bus, activeerde het digitale display. Op het paneel flitste het lijnnummer en het woord “Feestdienst.” De stad vierde vandaag weer iets — vuurwerk beloofd om negen uur. Het maakte hem weinig uit, zolang er maar geen files waren. Hij reikte naar de thermos, nam een slok lauwe thee, zette hem weer terug rechts naast de cabine, altijd daar waar je er net met je elleboog tegenaan kunt stoten. Zijn collega had vanmorgen weer geklaagd dat het ding nooit op een andere plek mocht. Hij had alleen maar gegrinnikt. Iedereen z’n eigen bijgeloof. Bij de halte buiten stonden een stuk of vijf mensen te wachten. Hij opende de deuren. Koude lucht stormde naar binnen, voetstappen, stemmen. Als eerste kwam een vrouw in een donkere donsjas, met twee zware tassen. De tassen bonsden op de treden. Ze zuchtte, haar OV-chipkaart vooruitstekend. ‘Goedenavond,’ zei hij, terwijl hij de kaart langs de lezer haalde. Ze knikte zonder op te kijken, worstelde zich door het gangpad met haar tassen. In de bus hing nog mandarijnengeur, gemixt met dat scherpe schoonmaakmiddel waarmee zo-even de vloer was gedweild. Twee pubers volgden haar, gelijk gekleed in zwarte jacks met rugtassen. De kleinste betaalde met zijn telefoon, de ander keek onrustig naar buiten, wachtend op iemand. ‘Tot het plein,’ mompelde degene die betaalde. ‘Tot het plein, komt goed,’ antwoordde hij en liet de handrem los. De bus schokte licht en reed soepel aan. In de achteruitkijkspiegel ving hij zijn eigen ogen: rode adertjes, blauwe kringen. Hoe lang reed hij zo al? Zevenendertig jaar achter het stuur, achttentwintig op de bus. Elk jaar mopperen de bedrijfsartsen, maar het rijbewijs verlengen ze toch. ‘Nog een jaartje. We zien dan wel verder.’ En dat ‘verder’… altijd maar uitstellen. Hij schakelde, stuurde richting stoplicht. Op het kruispunt lanceerde iemand buiten al vuurwerk: een droge knal, rode vlekken boven de huizen. Iemand floot bewonderend. ‘Ze zijn begonnen!’ riep één van de pubers. ‘Nee joh, dat is nog niet het vuurwerk,’ antwoordde de ander. ‘Gewoon oefenen.’ Hij luisterde maar half. Deze avondritten voelden altijd als het leven van een ander — mensen stapten in, belden, mopperden, lachten. Zelf leek hij de oever van een rivier waar het leven even tegen aan stroomde, en dan weer verder trok. Bij de volgende halte stapte een oudere man binnen, in een gebreide muts en een jasje met de knopen verkeerd, kraag scheef. In zijn hand een versleten schoudertas. Hij bleef bij de kaartlezer dralen, graaide in zijn zakken. ‘Waar is die kaart…’ mompelde hij. Het geduld achter hem raakte al op. De vrouw met de tassen zuchtte luid. ‘Rustig aan,’ riep hij vanuit de cabine. ‘De bus wacht wel.’ De man vond zijn gehavende portemonnee, haalde het plastic tevoorschijn. ‘Ah, daar is-ie,’ zei hij, alsof hij zich moest verantwoorden. De kaart piepte, het groene lampje floepte aan. De man sjokte voorzichtig verder, een hand aan de leuning alsof hij over ijs liep. Hij liet zich in de eerste vrije stoel bij het raam vallen, tas op schoot, starend de donkere stad in. Het licht sprong op groen, hij reed door. Knie protesteerde. Naar de huisarts moest hij eigenlijk. Vorig jaar zei de wijkverpleegkundige al: ‘Snel een foto laten maken, straks is het ernstig.’ Hij knikte, noteerde het nummer, schoof de brief van het ene jaszakje naar het andere, tot hij vanzelf verdween. ‘Pa, je blijft het uitstellen,’ zei zijn zoon eens aan de telefoon. ‘Kom op, ga nou.’ Hij antwoordde niet, vertelde over werk, over nieuwe bussen die al voor het derde jaar worden beloofd. Daarna werd het even stil, de verbinding verbrak. Sindsdien spraken ze zelden. Geen ruzie, gewoon ieder aan een andere kant van de stad, eigen tempo. Hij dwong zichzelf de gedachten weg te duwen. Straks, thuis. Nu eerst werken. Voor zich naderde alweer de halte — een jonge vrouw rende, kind op de arm. Hij remde vroeg af. De deuren zwaaiden open, de vrouw kwam hijgend binnen; haar zoontje — jaar of drie, muts met pompon — wreef slaperig in zijn ogen. ‘Bedankt dat u wachtte,’ zei ze bezweet, chipkaart in de hand. ‘We bleven hangen bij het consultatiebureau.’ ‘Geen probleem, stapt u maar door.’ De jongen keek hem ernstig aan. ‘Komt er vuurwerk, meneer?’ ‘Komt eraan, hoor,’ knikte hij. ‘We gaan het toch missen,’ mompelde zijn moeder, terwijl ze verder liep. Hij drukte weer op de knop. In de spiegel zag hij hoe ze de sjaal van de jongen goed deed, met dat vermoeide, zorgzame gebaar dat hij nog kende van zijn vrouw: hoe ze hun zoon naar de opvang bracht, moegestreden maar onverzettelijk. Zijn vrouw… ze leefden nu als huisgenoten. Groeten elkaar, vragen wie brood haalt, wie de vuilnisdoet, en gaan uit elkaar ieder hun eigen kamer in. Dat veranderd niet zomaar: ooit nam hij extra diensten aan omdat het geld moest. Later werd thuiskomen een formaliteit. Zij leerde op zichzelf rekenen. ‘Afslaan,’ zei hij zacht, spiegel checkend. ‘Let op het gat.’ Het gat tussen rijstrook twee en drie was al drie jaar niet gerepareerd. Hij stuurde de bus net wat naar links, het gaf een vreemd soort zekerheid; achter het stuur was alles overzichtelijk: vertrouwd schema, route, haltes. Daarbuiten niet. Op de volgende halte stapte een stel van rond de veertig in. De man sprak luid in zijn mobiel, vrouw volgde hem, dun mapje tegen haar borst. ‘Zeg, ik breng het morgen!’ riep hij in de telefoon. ‘Nee, vandaag gaat niet.’ Hij checkte hun chipkaarten; de man keek hem niet eens aan. De vrouw knikte dankbaar. Zij namen plaats in het midden. De man bleef bellen, de vrouw kneep in haar mapje, op de rug stond het logo van een kliniek. Het geroezemoes vulde de bus weer. Pubers achterin discussiëren over vuurwerk filmen. De jongen met pompon vuurde vragen af op zijn moeder. De oude man zat onbeweeglijk naar buiten te staren. Voor halverwege werd het rustiger. Een paar stapten uit bij het winkelcentrum, markt. De pubers bleven, de oude man, de jonge vrouw met kind, het stel, nog een enkeling. Langzaam remde hij bij een lege halte: niemand stapte in. Op het bankje zat een vrouw in felrode jas, sigaret in de hand en de blik op haar telefoon. Ze schudde het hoofd toen hun blikken elkaar kruisten. Hij sloot de deuren en reed verder. Achter hem plots een felle stem. ‘Doe even normaal!’ zei de kleinste puber tegen zijn vriend. ‘Ga zitten!’ ‘Relax, man, wat ben je truttig.’ Hij keek in de spiegel: diens vriend hing op de achterste trede, telefoon in de hand, been over het gangpad. ‘Jongeman,’ sprak hij door de intercom. ‘Wilt u naar binnen gaan? Het is gevaarlijk om daar te staan.’ De jongen grijnsde naar de camera. ‘Kijk, baas bemoeit zich er weer mee,’ maar hij bewoog niet. ‘Ik meen het,’ zei hij streng. ‘U kunt vallen zo.’ ‘Ik val echt niet, ik heb goeie reflexen,’ wuifde de puber weg. De jongen met pompon keek nieuwsgierig naar hem. De jonge vrouw spande zich zichtbaar aan, maar zei niets. De oude man bij het raam hief traag zijn hoofd. Bekende irritatie borrelde op. In al die jaren had hij van alles gezien. Onderweg niet in discussie gaan, tenzij het om veiligheid gaat — ‘hoe minder gedoe, hoe langer je meegaat’, grapte ooit zijn oudste collega. Maar nu — als die deur openzwaait of de bus schokt bij een bocht, ligt die jongen zo op straat. En hij, de chauffeur, krijgt de schuld. ‘Jongeman,’ herhaalde hij streng. ‘Of u stapt naar binnen, of ik rijd niet verder.’ De bus werd stil. De puber maakte zich breed. ‘Wat dan, stop je gewoon?’ ‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Dan stop ik.’ Hij reed rustig rechts naar de kant, zette de knipperlichten aan. Zenuwachtig schuiven mensen op hun stoel. De vrouw met tassen rolde met de ogen. Iemand mompelde wat. ‘Kom nou, San,’ fluisterde de ene puber tegen zijn vriend. ‘Doe niet zo moeilijk.’ De jongen deed er expres lang over, maar liep uiteindelijk naar binnen. ‘Tevreden?’ snoof hij bij de cabine. ‘Tevreden dat je niet gevallen bent,’ antwoordde hij, en reed verder. Langzaam zakte de spanning. In de spiegel kruisten zijn blik die van het jongetje met pompon: grote ogen, alsof hij een held was. Maar dat voelde hij niet — hij wilde alleen geen rapport moeten schrijven. Twee haltes verder waren de straten een wirwar aan licht, vuurpijlen knalden her en der. Lichtflitsen dansten op de ramen. Plots bewoog de oude man bij het raam. Hij boog naar voren, zocht houvast, de tas schoof van zijn schoot, viel. Iemand riep ‘Oei!’. De man probeerde op te staan, maar zakte plots in elkaar. Zijn hoofd viel achterover, zijn ogen draaiden weg. Hij werd slap, als een pop. Met reflex remde hij. De bus schokte, iemand gilde. ‘Meneer!’ riep de jonge vrouw met het kind. ‘Hij is niet goed!’ Hazardlichten aan, aan de kant. Handen grepen automatisch naar de porto, maar eerst… eerst goed kijken. Cabinedeurtje open, strompelend naar achteren — kniepijn negerend. Mensen weken uiteen. De man lag uitgestrekt, hoofd naar het gangpad gezakt. De vrouw met tassen greep haar tassen hulpeloos tegen zich aan. ‘Meneer, hoort u mij?’ vroeg hij, voorovergebogen. Geen antwoord. ‘Iemand de ambulance bellen!’ riep de jonge vrouw. ‘Het is vast zijn hart!’ Hij haalde zijn mobiel uit de borstzak, trillende handen. Alarmnummer, alles snel. Het adres gelezen. ‘Oudere man, bewusteloos.’ ‘Ademt hij?’ vroeg de centralist. Hij luisterde. Borstkas rees heel zwak. ‘Ja, maar heel zacht.’ ‘Blijf bij hem. Hulp is onderweg,’ klonk de stem. Hij hing op. In de bus keken alle ogen naar hem. ‘Ambulance komt eraan,’ zei hij. ‘Kan iemand bloeddruk meten?’ ‘Ik heb een bloeddrukmeter,’ sprak de vrouw met tassen ineens. ‘Uit m’n werk.’ Tassen neer, apparaat al in de hand. Snel en zeker, zoomde ze de manchet om zijn arm. ‘Erg lage druk,’ zei ze, schouderophalend. ‘Misschien wat water?’ ‘Niet nu,’ zei ze beslist. ‘Even afwachten.’ Het jongetje klampte zich vast aan zijn moeder. De pubers weken naar de zijkant. De ‘stoere’ puber keek schuldbewust naar de oude man, alsof zijn gedrag had bijgedragen aan alles. Hij voelde de oude gewoonte omhoog kruipen: terug naar de cabine, ‘ze lossen het wel op.’ Maar hij bleef staan, telde de ademhalingen. ‘Kent u familie?’ vroeg de vrouw met bloeddrukmeter. ‘Nee, hij is gewoon opgestapt.’ Hij dacht aan de portemonnee. Toch maar even. In het versleten ding vond hij — naast briefjes — een gevouwen papiertje: “Zoon” plus telefoonnummer. Hij belde. ‘Ja?’ Een aarzelende mannenstem. ‘Goedenavond, de buschauffeur hier. Uw vader is onwel geworden, ambulance is onderweg, we staan bij halte … U kunt beter meteen komen.’ Stilte. ‘Ik kom eraan. Houd hem daar, alsjeblieft.’ ‘We rijden niet verder tot de artsen arriveren.’ Hij legde neer, stopte het papiertje terug — met respect, alsof het iets heiligs was. Iemand mompelde: ‘Moeten we hier nou blijven staan?’ ‘Ja, voorlopig wel. Wie haast heeft kan uitstappen, over een paar minuten komt de volgende bus.’ Meerdere passagiers stapten uit, warend hun ogen. ‘Beterschap gewenst,’ mompelde iemand. Hij knikte, al waren de woorden niet voor hem bedoeld. Zes mensen bleven achter. Vrouw met bloeddrukmeter, jonge vrouw met kind, pubers, het stel met map, een man bij de achterdeur. Iedereen bleef dichter bij elkaar staan, alsof er onzichtbare grens lag. Hij ging terug naar zijn stoel, contact uit maar binnenlicht feller. De klok op het dashboard leek stil te staan. Het was duidelijk: vandaag geen vroege eindtijd. De chef zal later mopperen, misschien rapport vragen. Maar wat had hij anders kunnen doen? Hij dacht aan jaren terug: die man met astma-aanval, die hij in paniek bij de halte liet — inmiddels met schuldgevoel altijd op de achtergrond. Nu kon hij dat niet meer. Ambulance kwam na tien minuten. Sirene, blauwe lichten in de spiegel. Twee verplegers snelden omhoog. ‘Waar ligt hij?’ vroeg de eerste. ‘Achterin,’ wees hij. Zij werkten snel. Bloeddruk, zuurstof, infuus. Korte zinnen. ‘Te lage bloeddruk, we nemen hem mee.’ Met nog een passagier tilden ze de man naar buiten. Buiten sneed de koude lucht. Zachtjes op de brancard, de ambulance in. ‘Familie op de hoogte?’ vroeg de verpleger. ‘Ja. Zijn zoon komt.’ ‘Mooi, we rijden naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis.’ Even later was alleen het natte asfalt nog over — en een spookachtig gevoel van stilte. Hij stond in de deuropening, spanning zakte langzaam. ‘U heeft goed gehandeld,’ zei de vrouw met de bloeddrukmeter. ‘Niet iedereen doet dat.’ ‘Hoe anders?’ zei hij schouderophalend. ‘Het blijft een mens, toch.’ Ze knikte, sleepte haar tassen naar de halte. De pubers verdwenen stil. De jonge vrouw met het jongetje kwam tot bij de deur. ‘Dank u,’ zei ze. ‘Serieus.’ ‘Meneer, leeft die man nu nog?’ vroeg het jongetje. ‘Ik hoop het,’ antwoordde hij. ‘De dokters doen hun best.’ Het kind knikte ernstig, als voor een belofte. Het stel met map vertrok ook. De vrouw bleef even staan. ‘We moesten naar het ziekenhuis… Mijn schoonmoeder ligt daar. Ik vroeg me de hele tijd af of we het zouden halen, maar nu denk ik: hopelijk helpt iemand daar ook, als het nodig is.’ Hij kon alleen knikken. De woorden stokten in zijn keel. De bus was leeg. Op de vloer lag een achtergebleven plastic flesje en een velletje papier. Hij deponeerde het flesje in de zak naast de cabine, het papiertje stopte hij in zijn jas. Buiten verscheen een man van middelbare leeftijd, jas en muts, vermoeid gezicht. ‘Bent u degene die gebeld heeft?’ riep hij. ‘Ja. Uw vader?’ De man knikte. ‘Ze hebben hem meegenomen. De druk was erg laag. Maar hij ademde nog toen ze vertrokken.’ De man sloot zijn ogen, zuchtte diep. ‘Dank u dat u niet bent doorgereden,’ zei hij. ‘Ik… ben er niet altijd op tijd voor hem. Werk, haast. En hij reist altijd alleen, gewoonte, zegt hij. Dat het dan makkelijker is.’ Dat begreep hij beter dan wie ook. ‘Ik ga nu naar hem toe. Dank u nogmaals.’ De man verdween naar zijn auto. Hij keek hem na; alles leek plots zo breekbaar. Eén rit, één halte, één telefoontje. Terug in de cabine. Knie bonkt. Hij startte, keek op de klok. Nog twee ritten — maar de tijd liep al uit. De porto krakerde. ‘Vijfde, waarom sta je daar nog?’ De chef was niet blij. ‘Passagier onwel, ambulance gebeld, situatie nu onder controle. Ik vervolg mijn route.’ ‘Rapport graag aan het einde, niet treuzelen bij de eindhalte.’ ‘Begrepen,’ antwoordde hij, al protesteerde er iets in hem tegen dat niet-treuzelen. Hij sloot het deurtje. Zijn vingers trilden nog na op het stuur. Zijn telefoon — twee gemiste oproepen van zijn vrouw. Hij belde terug. Wachttoon. ‘Waar ben je?’ klonk het zodra ze opnam. Onrustig. ‘Onderweg. Er werd iemand onwel in de bus. Heb ambulance gebeld.’ ‘Weer…’ zuchtte ze. ‘Gaat het met jou wel goed?’ Hij wilde automatisch ‘Gaat wel’ zeggen, maar stopte. ‘Knie doet pijn, eigenlijk al de hele dag. Ben… gewoon moe.’ Pauze aan de andere kant. ‘Misschien morgen toch even naar de huisarts?’ stelde ze voorzichtig voor. ‘Je had toch een verwijzing ergens liggen?’ ‘Kwijt,’ gaf hij toe. ‘Maar ik haal wel een nieuwe.’ Hij zelf schrok van zijn eigen woorden. Dit klonk als een besluit, geen smoes. ‘Doe dat maar. Ik ga wel mee, als je wilt.’ Hij kneep het stuur steviger vast. ‘Goed,’ zei hij. ‘Maar nu moet ik eerst mijn dienst afmaken.’ ‘Ik weet het. Ik wacht gewoon op je.’ Hij bleef even zitten, starend naar het donkere raam. Zijn eigen gezicht keek hem aan: moe, rimpels, rode ogen. Iemand die altijd op de achtergrond stond van andermans levens. Hij dacht aan de oude man, zijn scheve kraag, de zoon die niet altijd op tijd kan zijn. Aan zichzelf, die ook vaak te laat is. Aan het jongetje met de pompon — serieuze vraag. De vrouw met de bloeddrukmeter. De puber, eerst dwars, nu stil. Hij schakelde, hand van de rem af, bus gleed weer op pad. Nieuwe reizigers stapten in; iemand checkte in, vroeg hoe ver het nog was tot de markt. Het leven stroomde weer aan hem voorbij. Morgen liep hij na de dienst niet langs de huisartsenpraktijk — maar stapte naar binnen, voor een nieuwe verwijzing en een foto. Belde zijn zoon. Niet om te klagen, maar om te zeggen dat hij was geweest. Kleine stap. Het eindpunt kwam langzaam in zicht. Daar moesten straks de laatste passagiers eruit, display uit, routekaart invullen bij de chef, zoals altijd. Maar tussen de routines kwam nu iets nieuws: niet meer jezelf vergeten. Bij de komende halte stapte een vrouw met een bos bloemen in. Ze glimlachte, reikte haar kaart aan. ‘Fijne feestdag,’ zei ze. ‘Voor u ook,’ antwoordde hij. Hij sloot de deuren en reed door, met het besef dat er diep van binnen iets verschoven was. Geen tromgeroffel, geen fanfare. Gewoon een lichte draai aan het stuur, richting zijn eigen leven. De stad lichtte spectaculair op bij weer een vuurwerkklap. In de spiegel dansten alle kleuren. Hij hield de bus op de baan, wetend dat er altijd weer haltes komen, ritten maken, dagen volgen — maar dat deze avond hem niet koud heeft gelaten. Het eindpunt was nog voor hem, maar voelde nu als meer dan alleen een halte op de route.

Eindpunt

Met een hand greep ik de steun, trok mezelf de bus in en voelde meteen die zeurende pijn in mijn linkerknie. s Morgens was het nog te doen, maar nu aan het eind van de dag voelde het of er lood in zat. De dienst zat er bijna op, nog twee rondjes te gaan, maar juist die laatste ritten in de avond leken altijd eindeloos.

Ik liet me op de stoel zakken, controleerde op automatische piloot de spiegels, klikte het licht in de bus aan en drukte op de displayknop. Op het paneel flitste het lijnnummer en er stond Feestdienst. In de stad was het weer tijd voor één of andere viering vanavond om negen uur vuurwerk. Het kon me weinig schelen, als ik maar geen last had van files.

Ik pakte mijn thermosfles, nam een slok lauwe thee, zette hem terug. Altijd rechts van me bij de afscheiding, waar je hem makkelijk met je elleboog omstoot. Mijn collega had er vanochtend weer over geklaagd dat ik hem niet eens ergens anders neerzet. Ik haalde mijn schouders op. Iedereen heeft zn eigen gewoontes.

Bij de halte stonden een man of vijf te wachten. Ik opende de deuren. Een koude stroom lucht, voetstappen, stemmen.

Als eerste kwam er een vrouw in het donkerblauwe jack naar binnen, met twee zware boodschappentassen. Ze sloeg de tassen tegen de trede, zuchtte, en overhandigde haar OV-chipkaart.

Goedenavond, zei ik terwijl ik haar kaart langs de lezer haalde.

Ze knikte zonder me aan te kijken en wurmde zich naar achteren, de tassen stevig tegen zich aan geklemd. In het interieur hing nog de geur van schoonmaakmiddel en mandarijnen.

Daarna stapten er twee pubers in, allebei in zwarte jassen en met rugzakken. De kleinste betaalde met zn mobiel; de ander keek nog even de straat over alsof hij iemand miste.

Naar het plein, mompelde de één.

Naar het plein is goed, antwoordde ik, de rem loslatend.

De bus schokte even en zoefde over het asfalt. In de spiegel ving ik mijn eigen ogen: rode adertjes, donkere wallen. Hoe lang deed ik dit eigenlijk al? Zevenendertig jaar achter het stuur, waarvan achtentwintig op bussen. Artsen mopperden elk jaar, maar zetten hun handtekening toch. ‘Nog een jaartje dan, we zien wel verder.’ En dat ‘verder’… dat schoof ik telkens voor me uit.

Ik schakelde naar een lagere versnelling, reed naar het stoplicht. Op de kruising zag ik door het raam dat er nu al ergens vuurwerk werd afgestoken: klap, een rood vlekje boven de huizen. Iemand floot bewonderend.

Is het al begonnen? vroeg één van de jongens.

Nee, dat is de generale, grapte de ander.

Ik luisterde met een half oor. De avondritten voelden altijd als een schimmenparade, een vreemd leven dat even door mijn bus trok. Mensen die in- en uitstapten, belden, ruzieden, lachten. Ik was als een kade waar de rivier van hun dag even langs stroomde.

Bij de volgende halte stapte een oude man in met een grofgebreide muts en een afgedragen jas. Verkeerd dichtgeknoopt, kraag scheef. In zijn hand een verkleurde schoudertas. Hij stond bij de lezer, begon te rommelen in zijn zakken.

Die kaart ergens, mompelde hij.

Achter hem werd al ongeduldig gezucht. De vrouw met de tassen zuchte luidruchtig.

Rustig aan, zei ik uit mijn cabine. Ik vertrek niet zonder u.

Hij haalde uiteindelijk een gehavende portemonnee tevoorschijn, vond zijn pasje.

Zie je wel, zei hij zachtjes.

De kaart piepte, het lampje werd groen. Voorzichtig, net alsof hij over ijs liep, zocht hij zijn weg naar een zitplek bij het raam. De tas op schoot, ogen starend naar de duisternis van buiten.

Het licht sprong op groen, ik reed verder. De knie deed pijn. Eigenlijk moest ik echt eens langs de huisarts. Vorig jaar zei de praktijkassistente: Maak eens een foto, straks is het iets ernstigs. Ik knikte altijd maar, schreef het nummer op een papiertje, legde het over naar een andere jaszak tot het vanzelf verdween.

Pa, je stelt het alleen maar uit, zei mijn zoon destijds aan de telefoon. Ga nou gewoon eens.

Ik hield mijn mond, begon maar weer over het werk, over mijn collega, over die nieuwe bussen die al drie jaar beloven te komen. Mijn zoon was stil aan de andere kant van de lijn en zei uiteindelijk dat hij moest werken. Sindsdien spraken we zelden. Geen ruzie, ieder zn kant van de stad, zn eigen ritme.

Ik probeerde mezelf tot de orde te roepen. Niet nu over nadenken. Voor me kwam een jonge vrouw aanrennen, een kindje in haar armen. Ik remde extra zacht, zodat het niet schokte.

De deuren gingen open, de vrouw kwam hijgend binnen met een jongetje van een jaar of drie op haar arm, muts met pompon op zijn hoofd. Hij wreef slaperig in zijn ogen.

Dank dat u op ons wachtte, zei ze, haar pasje aanbiedend. We komen net uit het ziekenhuis, wat later geworden.

Geen probleem, zei ik. Neem rustig plaats.

De jongen keek me ernstig aan, alsof hij al groot was.

Oom, komt er vuurwerk? vroeg hij.

Dat komt er zeker, jongen. Maar ietsje later, antwoordde ik.

We zijn al te laat, zei de vrouw zacht, terwijl ze ging zitten. Maar het was goed zo.

In de spiegel zag ik hoe ze hem neerzette, de sjaal bij hem omdeed, met één hand hem vasthield en met de andere naar vochtige doekjes zocht. Het had iets vastberaden zorgends, die bewegende handen; precies zoals mijn vrouw, vroeger, toen ze onze zoon naar de crèche bracht.

Mijn vrouw We leefden nu als huisgenoten. Groeten, vragen wie het brood haalt, wie de vuilnisbak doet, en elk naar zn eigen kamer. Dat is niet in één keer gegaan. Eerst nam ik meer diensten, want er moest geld komen. Toen raakte ik eraan gewend vooral gast te zijn thuis; zij raakte eraan gewend alles alleen te regelen.

Bochtje straks, mompelde ik, in de spiegels kijkend. De put niet vergeten.

Er zat een enorme diepe put tussen baan twee en drie al drie jaar niet gerepareerd. Ik stuurde de bus iets naar links, het was een kleine geruststelling: zolang ik rijd, weet ik wat ik moet doen. Er is een route, een tijdschema, haltes. Buiten die cabine is er geen enkel schema.

Op de volgende halte stapte een stel van rond de veertig binnen man telefonerend op hoge toon, vrouw een smalle map stevig tegen zich aan geklemd.

Morgen dus, niet vandaag! schreeuwde de man in de telefoon. Vandaag red ik het niet, nee!

Ze checkten hun kaarten; de man keek me niet eens aan. De vrouw knikte me beleefd toe.

Ze gingen halverwege de bus zitten. De man gebaarde en schreeuwde verder, de vrouw staarde naar buiten, vingers wit om haar map geklemd. Op de rug zag ik het logo van een kliniek.

Overal klonken flarden gesprekken. De jongens bespraken hoe je het vuurwerk het best kon filmen. Het jongetje stelde aan zn moeder een eindeloze stroom vragen. De oude man zat stil bij het raam, corrigeerde soms zijn tas.

Ik reed en luisterde, maar nooit echt. Elke rit voelde als een film op de achtergrond, terwijl ik zelf met iets anders bezig was.

Halverwege werd het leger. Mensen stapten uit bij het winkelcentrum, op de markt. De pubers bleven, de oude man, de vrouw met het jongetje, het stel met de map en nog wat passagiers. Namen zag ik ze niet altijd.

Op een volgende halte stopte ik, de deuren open. Niemand stapte in; op het bankje zat een vrouw in felrode jas te roken en op haar mobiel te kijken. Ze ontmoette mijn blik en schudde haar hoofd. Ik sloot de deuren en reed door.

Achter me klonk ineens een boze stem.

Wat doe je nou, joh? riep de kleinere puber tegen zijn vriend. Ga nou zitten!

Stel je niet aan, zei de ander. Moet je niet zo ouwewijvig doen.

In de spiegel zag ik hoe de tweede jongen op de treeplank bij de achterdeur stond, één hand aan de stang, met de ander filmde hij zichzelf. Een voet bungelde boven het trapgat.

Jongen, doorgaan naar achteren alsjeblieft, niet op de treeplank blijven hangen, zei ik door de microfoon.

Hij keek in zijn camera, grijnsde breed.

Kijk nou, de chauffeur roept zich weer, lachte hij, maar bleef staan.

Dit is serieus, zo kan het niet, je kunt vallen, herhaalde ik streng.

‘Val ik toch niet,’ wuifde hij weg. Heb goeie reflexen.

Het jongetje draaide zich nieuwsgierig om. Zijn moeder bleef gespannen stil. De oude man keek op.

Ik voelde irritatie opkomen. In al die jaren had ik alles wel gezien. En ik hield me liever afzijdig als het kon. ‘Hoe minder je je ermee bemoeit, hoe langer je meegaat,’ zei mn vroegere collega altijd. Daar lachte ik toen om, nu wist ik niet beter. Maar nu, met die open deur en bocht in zicht, dacht ik: straks vliegt die jongen echt naar buiten. En dan ben ik verantwoordelijk.

Jongen, zei ik nog harder. Of je gaat ervan af, of ik rij niet verder.

Het werd stil in de bus. De puber keek op.

Echt, ga je stoppen dan?

Ja, ik stop, zei ik droog.

Ik zette de bus rustig aan de kant, waarschuwingslichten aan. In de spiegel zag ik mensen elkaar aankijken. De vrouw met tassen rolde haar ogen. De man met de map zei wat brommerigs tegen zijn vrouw.

Joh, Sander, laat toch, fluisterde de eerste puber tegen zijn vriend.

Hij bleef nog even stoer staan, maar kwam toen langzaam van de treeplank af en liep naar achteren.

Tevreden nu? mopperde hij toen hij mij passeerde.

Tevreden dat je niks is overkomen, gaf ik terug, haalde de rem eraf.

De bus kwam weer op gang. Mijn boosheid ebde langzaam weg. In de spiegel ving ik de blik van het jongetje met de pompon; ogen groot, alsof ik een held was in een film. Ik keek snel weg. Ik was geen held. Ik wilde alleen geen proces-verbaal schrijven.

We namen nog een paar haltes. Buiten flikkerde het licht van vuurwerk, weerklonk soms een knal die weerkaatste op het glas van de ramen.

Plots kwam er beweging bij het raam. De oude man boog naar voren, greep de stang maar zijn hand schoof weg. Zijn tas viel op de grond.

Oei! riep iemand.

De man probeerde op te staan, maar zakte plots in elkaar. Zijn hoofd hing slap naar achteren, ogen weggerold.

In de spiegel zag ik het gebeuren. Mijn voet ging automatisch op de rem. De bus schokte, iemand riep verschrikt.

Meneer, meneer! schreeuwde de jonge vrouw.

Met knipperlichten aan manoeuvreerde ik de bus naar de kant. Automatisch reikte mijn hand naar de radio, maar ik hield mezelf tegen: eerst kijken hoe erg het is.

Deur van het hokje open, het lijf protesteert, maar naar het midden van de bus. Mensen weken uiteen. De oude man lag over de bank, hoofd naar het gangpad. De vrouw met de tassen stond ernaast, hulpeloos.

Meneer, hoort u me? vroeg ik, over hem heen buigend.

Geen reactie.

Iemand moet 112 bellen! riep de vrouw met het jongetje.

Ik haalde mn mobiel uit het borstvak. Mijn handen trilden, vingers stug. Ik drukte op bellen, hoorde de piep van de meldkamer.

Ambulance? klonk er door de lijn.

Bus, lijn ik noemde het nummer, de halte. Oudere man, plots onwel, buiten bewustzijn.

Ademt hij?

Ik bukte, luisterde. Hij ademde, maar nauwelijks.

Ja, maar heel zwak.

We sturen een ambulance. Als het erger wordt, bel terug.

Ik verbrak de verbinding. De hele bus keek me aan.

Ambulance onderweg. Kan iemand zijn bloeddruk meten?

Ik heb een bloeddrukmeter, zei de vrouw met de tassen verrast. Werk in de zorg.

Ze zette de tassen neer, pakte kordaat het apparaat uit haar tas en bracht het aan op zijn arm.

Heel lage bloeddruk, zei ze, naar het scherm kijkend.

Moet hij water? stelde iemand voor.

Niet doen, wachten op de arts, riep ze streng.

Het jongetje kroop dicht tegen zijn moeder. Zij aaide hem zacht over de rug.

De pubers stonden apart, beduusd. De dader stond te kijken met een schuldbewuste blik, alsof dit allemaal zijn schuld was.

Ik voelde de oude impuls om terug naar de cabine te gaan, de rest aan anderen over te laten. Maar mijn benen bleven staan. Ik bleef bij de man, telde zijn ademhaling.

Kent u familie van hem? vroeg de vrouw.

Nee. Alleen de OV-kaart daar staat geen gegevens op.

Plots dacht ik aan zijn portemonnee. Misschien stond daar een telefoonnummer.

Sorry, zei ik, en voelde in zijn jaszak. Een portemonnee, wat briefjes, kassabonnen, een briefje telefoonnummer met daaronder ‘Zoon’.

Ik draaide het nummer.

Ja? klonk een wantrouwende stem.

Goedenavond, buschauffeur hier. Uw vader is onwel geworden, ambulance is onderweg, halte ik noemde de locatie, u kunt beter snel komen.

Pauze aan de andere kant.

Ik ben onderweg. Laat hem daar, alsjeblieft.

We wachten op de ambulance, zei ik.

Ik stopte het briefje en de portemonnee voorzichtig terug.

Moeten we nu allemaal wachten dan? klonk het nerveus.

Wie haast heeft, mag uitstappen, de volgende bus is zo hier, stelde ik voor.

Onmiddellijk graaiden een paar mensen hun spullen en stapten uit. Enkelen boden nog een fluisterend beterschap toen ze langs liepen. Ik knikte, al gold het eigenlijk niet mij.

Zes mensen bleven staan de vrouw met de bloeddrukmeter, de vrouw met het jongetje, de pubers, het stel en een man bij de achterdeur. Iedereen schoof samen, midden in de bus rond een denkbeeldige grens.

Ik keerde terug naar de cabine, zette het contact uit, lampen aan. De tijd kroop traag. Ik keek naar de klok op het dashboard, dacht aan het schema. De dienst zou sowieso uitlopen, straks uitleg geven bij de centrale. Maar wat had ik anders moeten doen?

Ooit, vijftien jaar geleden, had ik een man met een astma-aanval in de bus. Uit angst voor vertraging zette ik hem samen met wat reizigers bij de halte. Nadien praatte ik mezelf in dat het niet anders kon; dienst is dienst. Maar het gezicht van die man, handen klauwend naar lucht, dat bleef me bij.

Nu kón ik niet anders meer.

De ambulance was er na tien minuten. Ik hoorde de sirene eerst, zag daarna de blauwe lichten in de spiegel. Er stapten een man en vrouw uit in witte jassen.

Waar is hij? vroeg de man.

Daar achterin, wees ik.

Ze haastten zich naar de oude man, sloten de apparatuur aan, staken een infuus.

Heel lage bloeddruk. We nemen hem mee, zei de vrouw.

Wilt u helpen tillen? vroeg de man.

We hesen hem samen met een passagier voorzichtig naar buiten. Zijn lichaam voelde licht, alsof ik niet echt iets vasthield. Buiten roken we de scherpe avondlucht. Ze legden hem op de brancard, duwden hem in de wagen.

Familie al geïnformeerd? vroeg de verpleegkundige.

Zoon is onderweg.

Goed zo. Wij gaan naar het OLVG, meld het maar door.

De ambulance verdween. Alleen de natte afdruk op straat en een gevoel van leegte bleef over. Ik stond een moment bij de deur, rustig ademend.

U heeft goed gehandeld, zei de vrouw met de bloeddrukmeter. Niet iedereen doet dat.

Wat had ik anders gekund? Het blijft een mens, zei ik.

Ze knikte, pakte haar tassen. De pubers knikten mij nu zwijgend toe en stapten uit. De vrouw met het jongetje bleef nog even bij de deur staan.

Dank dat u niet gewoon verderreed, zei ze.

De jongen keek me ernstig aan.

Leeft hij straks weer? vroeg hij.

Daar zorgen de artsen voor, jongen. We hopen het.

Begrijpend knikte hij. De vrouw en het jongetje stapten uit.

Ook het stel met de map maakte zich op voor vertrek. De vrouw wachtte kort op de treeplank.

We waren op weg naar het ziekenhuis, naar mijn schoonmoeder. De hele tijd dacht ik: halen we het wel Nu ben ik blij dat u stopte. Misschien treft zij straks ook zo iemand als u, als het nodig is, fluisterde ze.

Ik knikte alleen, kreeg het even niet uit mn strot.

Toen iedereen weg was, keek ik de lege bus rond. Alleen een flesje en een prop papier op de vloer. Ik pakte de fles, gooide hem bij het afval, de prop in mijn zak.

Er kwam een man van een jaar of vijfenveertig aangelopen, muts op, gezicht moe.

U had gebeld? vroeg hij.

Ja. Uw vader?

Hij knikte.

De ambulance is naar het ziekenhuis, druk heel laag, maar hij haalde nog adem.

De man sloot even zijn ogen.

Dank dat u hem niet liet zitten. Ik kom soms amper bij hem. Altijd druk, werk. Hij reist alleen, gewoonte zegt dat het hem rust geeft.

Ik begreep het maar al te goed.

Ik ga naar het ziekenhuis, zei hij. Nogmaals bedankt.

Hij verdween naar zijn auto. Ik keek hem na, dacht aan de kwetsbaarheid van alles. Eén rit, één halte, één telefoontje.

Ik ging weer in de cabine zitten, startte de bus. De knie protesteerde nog harder. Nog twee ritten al wist ik nu al dat het uitliep.

De radio kraakte.

Vijfde bus, waarom sta je nog steeds?

Passagier onwel, ambulance erbij, nu ga ik door.

Straks rapportje schrijven, en niet te laat bij het eindpunt.

Komt goed, zei ik. Maar inwendig protesteerde ik tegen die haast.

Deur dicht, handen om het stuur. Mijn vingers trilden, bleven nu weer rustiger. Op de telefoon naast de thermos zag ik twee gemiste oproepen van mijn vrouw.

Ik belde terug. Het duurde even voor ze opnam.

Waar ben je nou? Ik heb al zo vaak geprobeerd!

Op de lijn. Een passagier werd onwel, ambulance gebeld.

Weer Ben je zelf nog wel oké?

Normaal zou ik gaat prima zeggen, maar ik voelde dat ik niet wilde liegen.

Heb last van mn knie vandaag. En ik ben moe.

Stilte.

Misschien moet je morgen naar de huisarts? Je had toch een verwijzing ergens?

Die ben ik kwijt. Maar ik kan een nieuwe regelen.

Zelf verbaasd hoorde ik mijn antwoord: het was een besluit, geen uitvlucht.

Doe dat. Ik ga desnoods met je mee, als je dat wilt.

Mijn handen omklemden het stuur.

Graag. Maar ik maak wel eerst deze dienst af.

Dat weet ik, ik wacht wel op je.

Ik hing op en bleef nog even zitten, keek naar het raam. Mijn eigen gezicht in de weerspiegeling. Moe, met diepe rimpels, ogen rood omrand. Een man die zijn plek kent, de achtergrond voor andermans verhalen.

Ik dacht aan de oude man met zijn scheve kraag, tas op schoot. Aan zn zoon, die zelden tijd heeft. Aan mezelf, die altijd doordraaft. Aan het jongetje met zijn serieuze blik. Aan de vrouw met de bloeddrukmeter. Aan de puber die uiteindelijk toch stil werd.

Ik schakelde, liet de rem los. De bus rolde. Weer nieuwe mensen bij de volgende halte: iemand checkte in, vroeg of het ver was naar de markt. Het leven vloeide gewoon weer verder.

Ik dacht: morgen, na de dienst, loop ik niet meer de huisartsenpost voorbij. Ik haal een nieuwe verwijzing, maak een afspraak voor een foto. Bel mijn zoon. Niet als klacht, gewoon als feit, als stap.

Het eindpunt kwam langzaam dichterbij. Passagiers zouden daar uitstappen, display uit, lijstje invullen, naar de centrale. Alles zoals altijd. Maar nu met één nieuw ritueel: ik zou mezelf niet meer negeren.

Bij de volgende halte stapte een vrouw met een bos bloemen in. Ze lachte, hield de OV-kaart omhoog.

‘Fijne feestdag!’

Voor u ook, zei ik.

Ik sloot de deuren en reed verder, terwijl ik ergens diep vanbinnen voelde dat er iets was verschoven. Niet hardop, geen toeters of bellen. Gewoon een kleine beweging van het stuur, maar dan richting mezelf.

Buiten barstte het vuurwerk. In de spiegel zag ik gekleurde reflecties. De bus bleef netjes op zijn baan; nog genoeg haltes, nog genoeg routes voor de boeg. Maar deze avond zou me bijblijven.

Het eindpunt was nog steeds vooruit, maar het voelde meer dan alleen maar een streep op de plattegrond.

Rate article