Half Open Deur
Hij had het eerst niet door, wat er precies anders was. Hij kwam uit de lift op zijn vertrouwde negende verdieping, tastte automatisch in zijn jaszak naar zijn sleutels, en liep naar zijn voordeur, zijn hoofd zoemend van de cava en huzarensalade. In het trappenhuis hing die zeldzame, stille sfeer van deze nacht; alleen verderop hoorde je ergens een lach, een klap van een deur.
Bij zijn appartement bleef hij staan, legde zijn hand tegen de muur om niet mis te grijpen bij het sleutelgat, en pas toen viel het hem op: links flikkerde iets in zijn ooghoek. De deur van de buren, een handbreedte open. In de donkere gang flonkerde een gekleurde lichtslinger, slordig over de kapstok gelegd, vanuit hun hal klonk in de verte de zachte stem van een vrouw uit een oud liedje over sneeuwvlok, sneeuwvlok, smelt niet weg.
Hij bleef staan, sleutel zwevend. Het was koel in het trappenhuis, de geur van iets gebakkens uit een andere woning vermengt zich met het vleugje deodorant van zijn eigen colbert. Flarden van toost bij vrienden dreunden na: op de gezondheid, op onszelf, nooit oud worden, en plots voelde het extra leeg. Bij hen was het lawaaierig, opgepropt, kinderen holden rond, iemand knalde een party-popper uit het raam. Er werd gelachen en gedronken, er werd gesproken over hypotheken, vakanties in Spanje, verbouwingen. Bij de klokslag van twaalf proostten ze, werden er knuffels uitgedeeld, sommigen pinkten een traan weg na het derde glas. Daarna nog een korte rit met de taxi door de halflege stad, de slierten lichtjes in de bomen, en nu stond hij hier: schoenen knellen, hoofd suizend, alleen thuis.
De buren. Hij kende hun gezichten, niet hun namen. Een man van rond de zestig met grijze slapen en buikje onder zijn trui, altijd netjes knikkend in de lift. Een vrouw, kleiner, kort grijs haar, met haar boodschappentas vol rommel, altijd sjouwend met plastic zakken. Ze woonden hier langer dan hij. Vijftien jaar geleden toen hij introk, stond hun naam al op het bordje naast hun deur, maar hij had die nooit echt gelezen. Groeten, een knik, soms een woord over de storing van het warme water. Meer niet.
Hij keek naar de half geopende deur. De muziek klonk zacht. De slinger flakkerde lui, de hal flauw verlicht. De deur bewoog niet.
De gedachten gewoon verder lopen kwam als eerste, vanzelfsprekend. Ze luchten misschien, vergeten dicht te doen, niet zijn zaak. Hij draaide zich al half naar zijn eigen deur, schoof de sleutel in het slot, maar er prikte iets. Zo’n deur op een koude, feestelijke nacht waarbij iedereen óf met visite zit, óf zich afsluit tegen andermans vuurwerk. Oude liedjes, kinderherinneringen. En het gevoel dat als hij nu naar binnen zou gaan, zijn slippers aan, tv aan met de zoveelste herhaling van het concert, het leven precies zo zou blijven: naast mensen wonen die hij niet kent, gescheiden door een muur.
Hij trok de sleutel weer uit het slot, bleef luisteren. Geen stemmen, geen lach, alleen het liedje eindigde en het volgende begon, over een blauwe trein. Misschien gaat het niet goed daarbinnen? Vallen, niet bij de deur geraken? In de krant altijd verhalen over ouderen die pas na dagen gevonden worden. Hij herinnerde zich hoe hij twee weken geleden buurman bij de drogist zag: medicijnen afrekenen, dikke portemonnee doorzoeken, verontschuldigen aan de rij.
Goed, fluisterde hij tegen zichzelf, stapte op hun deur af.
Hij duwde eerst zachtjes. De deur gaf een beetje mee, en bleef dan hangen tegen iets zachts. In de kier zag hij meer van de hal: een versleten mat, schoenen, damessloffen met bont. Een vage geur van gebraden kip en sinaasappel, bijna vervlogen, hing nog. Jassen aan de kapstok, de slinger hing losjes naar de grond.
Hallo? riep hij voorzichtig. Eh… is er iemand thuis?
Geen antwoord. De muziek bleef doorgaan zonder onderbreking, dus stroom werkte. Hij klopte met zijn knokkels op de deur.
Buren, alles goed daar?
Er klonk iets dofs, dan voetstappen. De deur schoof verder open, het gezicht van de vrouw verscheen in het licht. Rode wangen, vermoeide ogen, haar kapsel niet langer feestelijk. Ze droeg een glinsterende trui, fijne ketting in haar hals.
O, zei ze en greep naar de deurklink als om dicht te doen, sorry, we…
Hij hief beide handen op, schuldbewust.
Ik… eh… de deur stond open. Dacht, misschien… Is alles goed?
Ze keek hem even aan, zag zijn scheef zittende stropdas, plastic zak met salade en een halve fles cava, en leek hem te herkennen.
O, van nummer negen, sprak ze. Ja hoor. Alles goed. We hadden even de raam open en…
Vanuit het huis klonk een mannenstem:
Wie is daar, Mieke, weer zon knaller?
De buurman, riep ze terug. Van de galerij.
De deur ging verder open, buurman verscheen. In overhemd, bovenste knoop los, glas amberkleurige drank in de hand. Zacht gelijnd gezicht, maar heldere ogen.
Dag zei hij. Gelukkig Nieuwjaar.
Voor jullie ook, antwoordde Joost, en realiseerde zich dat hij hun namen niet eens wist. Ik zag de deur open, dacht misschien tocht, misschien weggegaan…
Welnee, lachte de vrouw, Mieke, wij doen altijd zo. Ik ga afval wegbrengen, deur blijft half open. Nu vergeten. Sorry als je schrok.
Joost knikte, wilde zich alweer terugtrekken.
Zolang alles goed is, ga ik weer. Nogmaals…
Wacht, zei buurman plots. Kom binnen, even. Nu je toch staat.
Hij aarzelde.
Ik ben al bij vrienden geweest, gegeten, gedronken voel me bezwaard.
Ach, bezwaard, asjeblieft, wuifde hij weg. Twintig jaar groeten, nog nooit samen gezeten. Mieke, mag hij een glaasje?
Mieke haalde haar schouders op, instemmend.
Kom maar, zei ze. Geen poespas, schoenen uit, ga zitten in de keuken.
Joost keek vluchtig naar zijn eigen deur. Sleutels zwaar in zijn zak, de plastic zak met salade en ongeopende cava. Zijn eigen lege woonkamer achter de muur werd opeens koud.
Oké, zei hij. Even dan.
Hij trok zijn schoenen uit, zette ze bij hun rij. Niet veel: twee paar nette herenschoenen, dameslaarzen, geen kinderschoenen. De zak hield hij onhandig bij zich.
Geef maar hier, Mieke pakte het aan. Wat heb je daar?
Restsalade, cava. Niet opgekomen.
Perfect, glimlachte ze. Wij zijn net uit; mooi, jij neemt wat mee.
Hun keuken was klein, gezellig. Op tafel stonden nog schalen met huzarensalade, haring in rode bieten, schijfjes, paar mandarijnen. Er stond een vaasje met dennentakken en kleine kerstballen. Op de vensterbank gloeiden lampjes. Aan een stoel zat een vrouw van rond de vijftig, bril, zacht gezicht, scrollend op haar telefoon. Ernaast een leeg glas.
Mijn zusje, Saskia, stelde Mieke haar voor. Sas, dit is de buurman van negen, hoe
Joost, corrigeerde hij, Joost van Wijk.
Ach, zo officieel, grinnikte de man. Wij zonder fratsen. Ik ben Gerard, en gaf een hand mag zonder van Wijk.
Handen werden geschud. Gerards hand ruw maar warm, stevige vingers.
Kom zitten, Joost, wiebelde Saskia haar stoel. Mieke pakt zo een bordje.
Joost nam plaats, wat onwennig. Aan de muur hing een zwart-wit foto: jonge Gerard in militaire uniform, Mieke met lange haren, hand op schouder van een jongetje van vijf. Op de koelkast: magneetjes van steden waar hij nooit was.
Zo, Gerard schonk heldere drank in glaasjes. Op deuren open, niet alleen dicht.
Joost glimlachte. Wat plechtig, maar Gerards stem was veeleer vermoeid dan opschepperig.
Ze namen een slok. De jenever brandde verrassend zacht. In de kamer speelde dan weer een man over drie witte paarden.
Waar was je? vroeg Mieke; ze schoof salade bij.
Bij vrienden, antwoordde hij. Vol huis, kinderen. Veel lawaai.
En thuis zit je alleen? keek Saskia over haar bril.
Joost knikte, wilde geen details.
Dochter in Rotterdam met haar gezin, flapte hij eruit voordat hij zich corrigeerde, eigen familie. En ik… zo dus.
Ja, zei Mieke zacht. Onze zoon woont in Drenthe. Gaat naar schoonfamilie met de kleintjes. Geen probleem, hoor. Jongeren hebben hun eigen plannen.
Gerard bromde.
Geen probleem, herhaalde hij. Maar we zien ze zelden. Ach, geen probleem.
Saskia glimlachte flauw, droefheid in haar blik.
Hoe lang woon je hier, Joost? vroeg ze, hapte in een mandarijn.
Vijftien jaar, zei hij. Sinds… aarzelde, mijn scheiding. Kocht dit appartement, verhuisd.
Jeetje, schudde Mieke haar hoofd. Dacht altijd dat je nieuw was. Zo… jong uitziend.
Joost lachte.
Dankje. Tweeënvijftig ben ik.
Gerard is zestig, voegde Saskia toe, altijd zegt hij dat hij jong blijft.
En dat ben ik, schonk Gerard bij in mijn hart dan.
Ze lachten, zacht maar hartelijk. Joost voelde zijn schouders ontspannen. Details vielen op: nette servetten, een oud maar schoon tafelkleed met vlekken van biet, schotel met een koude kippenpoot, vergeten.
Ik herinner me je, zei Mieke plots. Lift vol dozen, vol boeken. Dacht: een nette buur.
Dat was mijn verhuizing, knikte Joost. Zelf alles gesjouwd. Week daarna rugpijn.
En ik herinner me je in de sneeuw, vertelde Gerard. Tien jaar terug, met een kerstboom. Tak bleef tussen deur hangen, ik hielp je.
Joost glimlachte; die boom was hem vaag bijgebleven.
Gek, zei hij. Zo dicht bij elkaar, alleen brokjes van het leven.
Wat moet je anders weten, haalde Saskia haar schouders op. Zolang je geen herrie maakt of rommel gooit.
Of water overloopt, voegde Gerard toe. Studenten op de zevende, die kennen we te goed.
Er werd gelachen om verhalen over onderburen met feestjes, de oude vrouw van de achtste die moppert op afval. Het gesprek kabbelde langzaam, als lauwe thee; eerst voorzichtig, dan vrijer.
Joost sprak over kantoor, hoe hij dit jaar thuis werkte, daarna weer terug moest. Dat hij bedrijfsfeesten haat, maar toch gaat “je moet gezien worden”. Dat het lastig is collegas te hebben die jonger zijn dan zijn dochter.
Gerard vertelde over zijn baantjes op de fabriek, sluiting van de werkplaats, geknutsel bij bekenden. Mieke vulde aan: nachtelijk behangen bij mensen voor geld, samen naar hun volkstuin tot die verkocht moest worden.
Saskia haalde herinneringen op: oude jaarwisselingen met de hele familie, volle tafels, gasten die nu hun eigen levens hebben.
Wij dachten altijd, Mieke schonk Joost zijn cava, dat jij een belangrijke man was. Altijd zo zeker, in pak, met aktetas.
Welnee, lachte Joost. Gewoon een manager. Pak vanwege de voorschriften, tas vanwege mijn laptop.
Toch, bleef Mieke bij haar standpunt. Je kwam altijd over als iemand die alles onder controle heeft.
Joost peinsde. Weet hij wat hij doet? Nu, in deze nacht, aan deze tafel, leek hij eerder een passant in andermans verhaal.
Wat dachten jullie dat ik deed? keek hij scherend.
Advocaat, gaf Gerard toe. Je loopt zo zakelijk.
Ik dacht leraar, zei Saskia. Ooit zag ik je praten met een jongen die op de muur schreef, heel rustig maakte je hem dat duidelijk.
Joost herinnerde het vaag, een jongen van beneden. Rustig aangesproken, daarna weer vergeten maar zij onthield het.
Gek, herhaalde hij. Je verzint levens bij elkaar uit momentjes.
Wat dacht je dan van ons? vroeg Mieke.
Verlegen dat hij nauwelijks iets dacht, sprak hij voorzichtig:
Gewoon een gezin, dacht ik. Met kinderen, kleinkinderen. Samen feest vieren.
Gerard zuchtte.
Dacht je drukte, accordeon? lachte hij. Hier zitten we, met zn drieën en tv.
En muziek, voegde Saskia toe. Kan niet zonder liedjes.
Ze werden stil. Lied uit de kamer was net voorbij, de presentatrice kondigde de volgende aan.
Ons huis zat ooit vol, mompelde Mieke. Zoon, zijn vrienden, mijn ouders. Tafel en stoelen, zelfs de kamer vol. Nu… iedereen weg. Voelt wennend.
Joost knikte. Hij dacht terug aan feestdagen toen hij nog was getrouwd; grote tafel, schoonfamilie, vrienden. Toen de scheiding, jaren met dochter, soms alleen, soms bij collega’s. Dit jaar koos hij voor vrienden, voor de drukte toch bleef het gevoel van uitgenodigd zijn in andermans leven.
Toen ik naar huis liep van vrienden vandaag, zei hij onverwacht, voelde het alsof ik naar een hotel ging. Huis, spullen, maar…
Hij zweeg, vond het woord niet.
Ik herken het wel, knikte Saskia. Na mijn man overleed, voelde alles tijdelijk.
Mieke legde haar hand op Saskias schouder. Joost voelde zijn keel samentrekken.
Sorry, fluisterde hij, ik wist het niet.
Hoe zou je dat kennen, zei Saskia zacht. We groeten slechts in de lift.
Het gesprek ging door, tijd strekte zich zacht uit; samen werden oude jaarwisselingen opgehaald. Toen in de jaren negentig de stroom uitviel, ze op gas kookten, toen bovenburen hun huis onder water zette met nieuwjaarsnacht en Gerard emmers vulde. Hoe Joost ooit Nieuwjaar in een trein vierde, plastic bekers werden geheven.
Langzaam raakten de flessen leeg, salade koelde af, muziek verschoof naar langzame nummers op nachtelijke radio. Buiten hoorde je af en toe nog vuurwerk. Het was allang drie uur geweest; Joost werd niet weggejaagd.
Hij besefte: hij voelde zich goed. Niet uitbundig, maar rustig. Hij luisterde naar Miekes verhalen over haar werk in de bibliotheek, hoe steeds minder de mensen boeken lenen. Gerards grappen over ouderdom vergeleken met autopech. Saskia sprak over haar werk in de administratie van de VvE, eeuwige klachten.
Weet je, zei Gerard, ik dacht altijd dat mensen in ons gebouw net als in de metro waren. Instappen, uitstappen, geen contact. Nu zitten we hier, praten we, en het voelt minder dreigend om ouder te worden.
Joost lachte.
Oud worden is niet eng, zei hij. Alleen zijn wel.
Ja, beaamde Mieke. Ik word wel eens wakker s nachts, denk, wat als mij iets gebeurt als Gerard weg is? Wie merkt het dan? En jij, Joost, als het jou overkomt?
Joost zocht zijn antwoord. Gezichten van collegas en vrienden flitsten voorbij allemaal ver weg.
Niemand, gaf hij toe. Misschien belt het werk als ik een week niet verschijn.
Precies, pikte Saskia in. Maar wij drieën zitten hier op de galerij. We zouden telefoonnummers moeten uitwisselen.
Gerard lachte.
Wat ben je weer praktisch, zus.
Gewoon, sprak ze rustig, op zn minst voor de zekerheid.
Joost knikte. Het idee simpel, maar bijzonder belangrijk.
Goed idee, zei hij. Anders is het wel heel stom.
Telefoons kwamen tevoorschijn. Mieke dicteerde haar nummer, Joost zette Mieke buurvrouw. Gerard inclusief Gerard buurman. Ook Saskia kwam erbij zo werd een gezicht ineens contact.
Noteer ook de mijne, zei Joost. Bel gerust als er iets is.
Mieke schreef zijn nummer op en plakte het met een magneetje op de koelkast.
Nu weten we bij wie we zijn, niet alleen van negen.
Rond vieren werd alles stil. Vermoeidheid viel als een deken over hen heen. Mieke gaapte, Gerard wreef in zijn ogen, Saskia keek naar de klok.
Tijd voor jou om naar huis, zei Mieke. Zo houden we je wel vast.
Joost keek op zijn telefoon: twintig voor vijf. Zijn lichaam werd plots zwaar.
Ja, zei hij. Dank jullie. Voor…
Hij zocht een woord: voor het eten, het gesprek, de openheid.
Voor de gezelligheid, vulde Saskia aan. Wij vonden het ook fijn.
Gerard stond op, slingerend.
Laat mij je even naar je deur brengen, zei hij. Verdwaal je niet alsnog.
Ze stapten samen in de hal. De muziek was zacht, de slinger flikkerde lui.
Joost trok zijn schoenen aan, deed zijn jas dicht. Gerard leunde tegen de muur.
Joost, sprak hij zachter, mocht er iets zijn, klop gewoon. Wij zitten om de hoek.
Joost knikte.
En jullie ook, zei hij. Als er iets te dragen is, te repareren, computerproblemen. Die fix ik wel.
O, lachte Gerard, computer. Onze laptop hangt steeds vast. Mieke moppert dat ik hem sloop.
Ik moppert niet, klonk Mieke uit de keuken. Ik stel slechts vast.
Beiden lachten.
Afgesproken, zei Joost. Ik kom later wel eens langs.
Gerard gaf hem een hand.
Gelukkig Nieuwjaar, buurman. Dat het minimaal zo goed blijft als vanavond.
Voor jullie ook, zei Joost. Gelukkig Nieuwjaar.
Hij stapte de galerij op. Hun deur sloot zonder de oude reserve, zijn eigen flat was stil. Hij opende, deed het licht aan.
Zijn woonkamer was t zelfde als altijd: bank, tv, tafel, ongeopende thee van die ochtend. Mandarijntjes op de vensterbank, lege vaas. Joost hing zijn jas op de stoel, hoorde in de keuken de cv murmelen. Hij ging zitten, sloot zijn ogen.
Gezichten kwamen boven: Mieke, moe maar warm, Gerard met zijn lompe grappen, Saskia met haar scherpe blik. Hun levens, hun geklaag, hun lach. Door de muur bleek dat er een heel leven leefde waarvan hij niks wist.
Hij keek naar de muur: achter die muur zaten ze nu. Mieke ruimde waarschijnlijk af, Gerard zette muziek uit, Saskia spreidde haar bank. De muur leek minder massief.
Hij liep naar zijn keuken, dronk een glas water, zette het glas voorzichtig in de gootsteen zonder lawaai. Ging naar zijn kamer, deed het licht uit, ging liggen. De slaap kwam snel, maar het laatste wat hij dacht: iets lekkers halen morgen, langsgaan.
…
Drie dagen later, avond, Joost kwam moe van werk. Op de galerij rook het naar gekookte aardappels en appeltaart. Stilte. Hij pakte zijn sleutel, opende bijna zijn deur toen de deur van de buren zwaaide open.
Mieke stond in ochtendjas, handdoek in haar hand.
Joost, zei ze, dit keer zonder afstand. Fijn dat je er bent.
Joost bleef staan, sleutel in het slot.
Iets mis? vroeg hij direct, gespannen.
Nee hoor, glimlachte ze. Ik heb appeltaart gebakken. Jij zei laatst iets over die laptop. Wil je even binnen komen? Met koffie en taart erbij.
Joost voelde van binnen iets warms stromen. Hij knikte.
Natuurlijk, zei hij. Ik leg even mijn spullen neer.
Hij zette zijn tas in de gang, hield zijn jas aan, liep terug. Mieke hield een schaal appeltaart vast: eenvoudige, troostende geur van appel en deeg.
Kom, zei ze, Gerard moppert alweer op dat ding.
Joost stapte over de drempel. De slinger hing nog altijd op de kapstok, maar nu was die uit. Er was geen muziek. De sfeer was doordeweeks, gewoon. Maar Joost besefte: die deur, die hij op oudejaarsnacht half open zag, zou nooit meer hetzelfde gesloten worden.
Hij glimlachte en liep door naar de keuken.






