Een goede vriend van mij komt erg vaak bij ons over de vloer.

Mijn vrouw Marloes en ik hadden jarenlang elke euro opzij gelegd om ons droomhuis te vinden, ergens in het Hollandse platteland. Uiteindelijk, alsof we in een mistige lucht zweefden, kochten we tussen graanvelden een oud boerderijtje in Friesland. Elk weekend en soms hele zomers brachten we daar door. De koeien in de verte leken soms meer op dansende molens, alsof alles een beetje surrealistisch was.

De ouders mijn moeder Hennie en mijn vader Gerrit waren een soort schimmen in het geheel; ze kwamen soms aanwaaien en gaven ons guldens om het huis op te knappen, net als een onzichtbare hand die zachtjes duwt. In de lente begonnen we met reparaties zoals mensen in een schilderij van Van Gogh: wat grof, maar met veel kleur. We bouwden een kas naast de moestuin, waar de winterprei soms leek te zingen. Achter het huis waar de geuren van de sloot de lucht vulden groeven we een zandbak, alsof we schelpen wilden zoeken die nergens te vinden waren, en bouwden schommels voor de kinderen. Zelfs de schommels wiegden niet gewoon heen en weer, maar leken te zweven door windvlagen die uit verhalen kwamen.

Vanaf het begin kwamen onze vrienden langs, soms zo vaak dat hun voetstappen een vast patroon in het grind maakten. Ze slopen langs het huis als geruisloze schaduwen, en steevast liepen we samen naar de rivier, een paar honderd meter verderop die het water in het zonlicht liet flikkeren alsof er een schilderij van waterdruppels was uitgespreid. s Avonds, wanneer het licht was als stroop, barbecueden we, bakten vlees tot het rook een wolk werd, sommigen bleven hier slapen, kronkelend in de stoelen en banken omdat niet iedereen een fiets of auto had. Iedereen feliciteerde ons, hun stemmen echoënd als klokken in de dorpskerk.

Na een jaar leek het alsof de magie een beetje vervaagde. De gasten werden minder hun bezoekjes kwamen nog alleen met Sinterklaas of als we hen uitnodigden voor de tulpenbloei in de voortuin. Er was echter één persoon die dat nooit leek te beseffen; ze sloop als een droomfiguur ons leven binnen, met haar koffer die altijd te groot leek. Haar naam was Fenna, een naam die alleen in Holland klinkt als het ruisen van riet in de wind. Het maakte haar niet uit of we haar uitnodigden of niet voor haar was onze boerderij gewoon een plek waar ze kon zijn, ongeacht onze wensen.

Op zich was het verdraagzaam als alleen Marloes en ik er waren, maar met mijn ouders erbij en onze kinderen, die met de konijnen praatten alsof het kabouters waren werd het te druk. Alle pogingen om haar weg te krijgen, waren als een mol die zich steeds weer door onze tuin groef: Fenna bleef twee maanden achter elkaar. Ze begreep de hints niet, zelfs niet toen we haar vroegen of ze niet beter kon vertrekken omdat de ouders van Marloes op bezoek zouden komen wat betekende dat iedereen in de keuken moest kruipen als sardientjes in een blik. Fenna trok dan haar jas aan, zei dat ze wel op de koude vloer wou slapen als ze maar een matras kreeg.

Haar aanwezigheid was als een stille verdwaling: ze kwam vrijdagavond, nestelde zich in de woonkamer, zwevend tussen kussen en televisie, en terwijl wij in de tuin werkte alsof de bloemen fluisterden dat ze extra water nodig hadden lag Fenna op de bank. Ik kom hier om uit te rusten, zei ze telkens, alsof ze de echo was van een slaapliedje.

Mijn vrouw, mijn ouders, zeiden er nooit iets van. Het leek of ik de enige was wiens geduld als een stroopwafel begon te breken. Op een gegeven moment, als alles buiten verstilde en de winter in de wimpers kriebelde, zaten Fenna en ik in de serre, nippend aan een kopje koffie dat dampend rondcirkelde als mist. Jammer dat het nu winter is, zei ze, anders kwam ik nog veel vaker. Haar woorden galmden, alsof ze in mijn hoofd spookten.

Ik huiverde. Want ergens diep van binnen wilde ik haar niet elke weekend meer zien, maar de angst dat ze zich gekwetst zou voelen, was als een koude lentebui wat als ze nooit meer met me praatte bij zonsondergang, wat als het Hollandse landschap een vriend minder had?

Ik durf het haar niet te zeggen. Maar ik droom ervan dat ze niet meer elk weekend verschijnt, dat de wind haar zachtjes naar een andere boerderij draagt. Wat moet ik toch doen, in deze vreemde tijd vol molens, mirages en Fennas die nooit lijken te verdwijnen?

Rate article