Dubbel leven
Oktoberregen in Amsterdam is meer dan alleen regen. Het is haast intiem; het kruipt onder je kraag, sijpelt in je schoenen, drupt vanaf het balkon van de portiek precies in je nek terwijl je op de bel drukt. Marijke van Vliet stond bij de deur van een voor haar vreemd appartement in de Amsterdamse Jordaan, op de derde etage, en dacht aan één ding: trilden haar handen?
Haar handen trilden niet. Dat verbaasde haar enigszins.
De portiekdeur klikte open zonder antwoord. Iemand kwam naar buiten. Marijke hield de deur tegen en liep de trap op, ondanks dat er een lift was. Maar ze had deze kleine inspanning nodig, deze twee trappen, om zichzelf te verzamelen.
Appartement negenentwintig. Die nummer kende ze nu al drie weken. Ze kende de naam. Ze wist hoe zij eruitzag, want ze had haar opgezocht op internet. Jong, natuurlijk. Achtentwintig jaar. Ze heette Noor. Officieel: Noor de Vries.
Marijke klopte op de deur. Niet de bel, maar kloppen met haar knokkels, autoritair.
Aan de andere kant bleef het vijf seconden stil. Daarna lichte passen. Zonder pantoffels, bijna op blote voeten.
De deur ging open.
Ze keken elkaar aan. Marijke, drieënvijftig, in een beige jas van “Leonaard” een denkbeeldig merk, overgewaaid uit Italië door Raymond, drie jaar geleden. En dit meisje. Noor, in losse jeans, grijs T-shirt, haar in een slordige knot.
Mooi. Marijke moest het toegeven. Die schoonheid van achtentwintig, waarbij je nog niets hoeft te doen om op te vallen.
U bent Marijke van Vliet, zei Noor. Geen vraag, puur vaststelling.
Ja.
Kom binnen.
Dat was onverwacht. Niet ga weg. Niet ik ken u niet. Geen dichtslaande deur. Gewoon kom binnen, alsof ze al verwacht werd.
Marijke trad binnen.
Het appartement was klein, maar goed ingericht. Mooie meubels, ingetogen stijl. Op de vensterbank drie potjes met iets groens. Aan de muur een kunstafdruk die Marijke niet herkende. Een geur, licht naar amandel.
Trek a.u.b. uw schoenen uit, zei Noor, en zette pantoffels klaar.
Het was zo banaal, zo vanzelfsprekend, dat Marijke gehoorzaamde. Ze hing haar natte jas op de haak die Noor aanwees.
In de kleine keuken stond een waterkoker op het vuur. Noor draaide zich om:
Kopje thee?
Nee, zei Marijke. Dank u.
Ze gingen zitten in de kamer. Noor op de bank, Marijke in de enige fauteuil. Tussen hen in een rond tafeltje, met ongelezen tijdschriften.
U bent gekomen om te praten, weer een vaststelling.
Ik ben gekomen om u te zeggen dat u hiermee moet stoppen, sprak Marijke rustig. Ze had deze zin drie weken lang geoefend. Het klonk juist.
Noor keek haar aan. Niet angstig, niet uitdagend. Gewoon.
Prima, zei ze.
Wat prima?
Goed dat u kwam. Ik wilde u zelf spreken.
Marijke had iets anders verwacht. Tranen, spijtbetuigingen, of die vrouwelijke vijandigheid verborgen achter onschuldige ogen. Ze was voorbereid op een scène. Eigenlijk tot in de puntjes.
U wilde met mij praten, herhaalde Marijke.
Ja. Al langer. Noor trok haar benen op de bank, draaide een sierkussen een halve slag rond, legde het terug. Mag ik iets geks zeggen?
Ga uw gang.
Ik heb Raymond niet nodig.
Marijke zei niets.
Ik bedoel, vervolgde Noor kalm, ik ben niet verliefd op hem. Nooit geweest. Hij is gewoon handig. Dat klinkt niet best, dat weet ik. Maar het is waar.
Waarom dan toch?
Noor zweeg. Buiten regende het harder; het getik op het zinken raamkozijn werd intenser.
Omdat ik u wilde bestuderen.
Mij?
U. In haar stem geen spot, geen schaamte, alleen een bizarre openhartigheid. Ik weet veel over u. Hoe u loopt, praat, gasten ontvangt. Ik was bij twee borrels waar Raymond mij meenam, u had het niet door. Ik stond aan het andere eind van de zaal. U was precies zoals ik wil worden.
Marijke kreeg een licht gevoel in haar borstkas, geen duizeligheid, maar iets wat daar wel op leek.
U wilt mij zijn.
Ik wil op uw plek zijn. Dat is anders. Ik wil uw huis. Uw status. Uw rol. U weet hoe u de vrouw bent waar iedereen rekening mee houdt, maar niemand op kan pakken. Ik kan dat niet. Ik keek, leerde, maar het lukt niet. Het is als leren zwemmen zonder water.
En wat stelt u voor? zei Marijke, en pas later realiseerde ze zich dat ze écht een antwoord wilde.
Wisselen, zei Noor eenvoudig.
Stilte.
Regen.
Van leven wisselen, herhaalde Noor. Ik neem uw plek over. Raymond zal het verschil niet meteen merken, daar let hij niet op. U vertrekt.
Waarheen?
Er is een huis. Noor stond op, haalde een envelop uit het bureaula. Legde deze op tafel voor Marijke. In de Provence. Klein, van steen, met een tuin. Raymond kocht het op naam van een ander. Ik vond per toeval de papieren. Het huis was denk ik, niet voor u bedoeld.
Marijke raakte de envelop niet aan.
Hij weet niet dat u dit weet?
Nee.
En u zegt niks?
Ik wachtte op het juiste moment. Noor ging weer zitten. Dit is het moment. U bent hier gekomen om mij weg te sturen. Ik bied u een uitweg. Geen ruzie, geen vechtscheiding, geen getouwtrek. Gewoon weg. Word iemand anders. Leef daar. In stilte, in warmte.
Marijke keek naar de envelop.
Tweeëntwintig jaar samen met Raymond. Een aardige man, in de betekenis van iemand aan wie dingen gemakkelijk toekomen. Geen onaardige, geen gemene man. Maar hij was haar langzaam niet meer gaan zien, tot ze op een dag doorhad dat ze een stuk meubilair was geworden. Kostbaar, goed onderhouden, maar toch.
Het huis aan de vecht. Hulp Els, die Marijke vijftien jaar terug had aangenomen en alles had geleerd. Jaarlijkse feesten waar ze onberispelijk was. Kleding, kapsel, taal, stiltes. Altijd precies. Altijd correct.
En daaronder, iets heel stills en moe.
Hoe heeft u aan een paspoort op een andere naam gekomen? vroeg Marijke.
Noor was niet verbaasd.
Ik ken mensen. Ik had het voorbereid. Op naam van Wilma Dijkman, geboortejaar 1962. Verf uw haar een tint lichter; papieren kloppen dan volledig. Alles is geregeld.
U heeft dit serieus overwogen.
Twee jaar lang zelfs.
Marijke keek nu anders, zonder het ingehouden dedain.
Twee jaar? herhaalde ze.
Ik neem de tijd voor belangrijke dingen, zei Noor. Voor het eerst verscheen er een voorzichtige glimlach op haar gezicht. Geen triomf, maar een uitdrukking van iemand die lang heeft gewacht.
Marijke pakte de envelop. Fotos van een huis, op gewoon papier gedrukt. Stenen muren. Groene luiken van hout. Een lavendeltuin. Alles leek ontworpen door iemand die ooit gelukkig was en wilde terugkeren.
Op wiens naam staat het? vroeg ze zonder op te kijken.
Een stroman. Maar ik heb een schenkingsakte, blanco ingevuld. Raymond ondertekende hem bij andere documenten, zonder te lezen. Zet uw naam erop nee, Wilma Dijkmans naam en u bent de wettelijke eigenaar.
Hij tekende gewoon?
Altijd, als ik zei dat het zakelijk was. Hij vertrouwde daarop.
Marijke keek op.
U heeft het grondig doordacht.
Dat probeerde ik.
Waarom wilt u dit echt? Nu was er niets meer van het schildje over.
Noor zweeg langer.
Ik kom uit Breda. Vader werkte in de fabriek, moeder in de supermarkt. Op mijn achttiende naar Amsterdam met één tas. Ik ben niet zoals u, dat zit niet in mij. Maar als ik in uw huis woon, uw rol speel kan het groeien. Kan ik het leren.
Zo werkt het niet, zei Marijke zacht. Het groeit niet zo.
Ik weet het, knikte Noor. Maar ik moet het proberen. Dat is mijn keuze.
Ze keken naar elkaar. Buiten werd de regen zachter.
Ik heb tijd nodig, zei Marijke.
Natuurlijk. Noor stond op. Toch geen thee?
En tot haar eigen verrassing zei Marijke:
Graag.
Ze dronken in stilte hun thee. Noor drong niet aan. Marijke bleef zitten. Buiten leefde de Jordaan haar eigen herfstleven.
Na een uur vertrok Marijke. Ze nam de envelop mee.
Ze dacht drie dagen na.
De derde dag belde ze Noor.
Ik doe het.
Even stilte. Toen:
Wanneer beginnen we?
Vandaag.
Noor deed open, ditmaal niet verbaasd. Ze was voorbereid. Op tafel lagen documenten. De envelop met paspoort, nog een dikkere envelop erbij.
Hier de ingevulde akte, klaar ter ondertekening, zei Noor. Alleen uw handtekening. Uw echte, zodat het rechtsgeldig is. Ik regel de rest notarieel.
Marijke las het document drie keer. Noor drong niet aan.
Alles klopt, zei Marijke, en ondertekende.
Noor borg de papieren op.
Ik moet veel leren, zei Noor. Krijg ik de tijd?
Een paar uur.
Die uren waren vreemd. Marijke liep een laatste keer door Noors appartement, sprak honderduit, Noor luisterde aandachtig zoals alleen mensen luisteren bij wie alles ervan afhangt.
Els komt om acht uur s morgens. Ze is nooit te laat. Ze snapt alles snel, maar je moet altijd alsjeblieft en dank je zeggen. Dat is belangrijk voor haar. Zeg je simpelweg breng koffie, dan brengt ze het wel, maar ze zal minder haar best doen. Onthoud dat.
Noor noteerde in een klein notitieboek.
Raymond komt thuis tussen acht en negen uur. Komt hij later, dan is er iets op het werk of heeft hij een vergadering. Vragen waar hij was vindt hij niet fijn. Zet gewoon het eten klaar, schenk hem in, laat hem eerst zwijgen twintig minuten. Daarna begint hij vanzelf.
Wat drinkt hij?
Whisky. Bergbron een huismerk, Raymond haalt dozen uit Schotland. Twee vingers, één ijsblokje, geen water.
Noor schreef alles op.
In het huis is één lastig punt, vervolgde Marijke. De derde plank van links in de boekenkast, negen rode banden. Nooit aanraken. Dat is zijn privé.
Wat staat erin?
Dat weet ik niet. Ik vroeg ook nooit. Het is belangrijk: iets moet alleen van hem blijven. Respecteer je die grens, dan vertrouwt hij je meer dan als je alles aanraakt.
Noor keek op.
U keek nooit?
Nooit.
In tweeëntwintig jaar?
In tweeëntwintig jaar.
Ze zwegen.
U respecteert grenzen, zei Noor, bijna bewonderend.
Ik kan naast iemand leven zonder mezelf te verliezen, reageerde Marijke. Anders, maar toch verwant.
Ze bespraken nog meer: over Els, de buren, het juiste gedrag op Raymonds gelegenheidsdiners, de namen die ertoe doen, wie met voornaam, wie met achternaam.
Let op één gast, zei Marijke, en aarzelde.
Wie?
Victor van Asselt, de officier van justitie. Hij komt soms onverwacht bij Raymond langs. Houd wat afstand, niet onvriendelijk maar op beleefde afstand. Wees nooit te gewoon.
Waarom?
Hij ziet alles. Alsof hij zoekt naar wat niet klopt.
Noor noteerde het.
Ze kwamen bij kleding.
Marijke had een tas bij zich. Ze haalde een cardigan tevoorschijn: beigegrijs, fijne wol, duur maar zonder zichtbaar merk.
Trek dit aan vanavond. Met een simpele coltrui, geen blouse. Raymond ziet graag huiselijkheid, geen vertoon thuis.
Noor paste de cardigan. Zat bijna goed wat breed op de schouder.
Goed zo, zei Marijke. Belangrijk: doe die armband af. Ze wees op Noors pols. En verwijder de ring van je wijsvinger. Ik droeg enkel mijn trouwring, aan mijn rechter ringvinger. Verder niets.
Noor gehoorzaamde zonder discussie.
Haar, inspecteerde Marijke. Net iets lager opsteken, meer naar achter. Mijn kleur is iets lichter, maar bij avondlicht zie je dat bijna niet. Zo, ja.
Noor deed het na.
Goed, zei Marijke. Ze voelde zich vreemd, alsof ze haar spiegelbeeld zag in een onbekende spiegel.
Bang? vroeg Noor.
Nee, antwoordde Marijke eerlijk.
Ze vroeg om de badkamer. Binnen keek ze in de spiegel, deed haar beige jas uit haar zijden sjaal erbij, schoenen stonden al in de hal. Ze bleef over in een broek en dunne blouse.
Noor klopte.
Hier, fluisterde ze, en schoof een donkerblauw jack en bijna nieuwe sneakers onder de deur door. Deze maat moet passen.
Marijke trok het aan. Keek opnieuw naar zichzelf.
Een vrouw in jack en gympen. Geen sieraden meer, geen van die speciale rechte blik waarmee ze jaren geoefend had. De blik was er nog wel, maar al het andere veranderd en dat voelde als het beste van de afgelopen jaren.
Ze liep terug.
Noor keek naar haar.
U vertrekt zo?
Ik vertrek zo.
Naar Amsterdam Centraal?
Ja.
Uw ticket voor de nachttrein naar Parijs, vandaar vlucht. Documenten en pinpas in de envelop, alles is er. Noor sprak zacht. Bent u zeker?
Marijke trok het jack aan.
Noor, zei ze. Ik wil u iets zeggen. Geen wijsheid, gewoon een feit.
Zeg het.
U bent slim, echt slim. Maar wat u zoekt in dat huis, gaat u daar niet vinden. Dat komt niet met meubels of status. Het is ofwel in je, of niet. Het draait niet om geld.
Ik weet het, zei Noor zacht.
Waarom dan toch?
Omdat ik het wil proberen. Noor keek haar open aan. U begrijpt dat gevoel toch? Alleen al willen proberen?
Marijke nam haar kleine tas alleen de belangrijkste dingen pasten erin.
Sleutels. Noor reikte ze over. Zilveren met rood stipje voor de voordeur. Gele voor het huis. Kleine voor de kluis op het kantoor. Niet belangrijk, maar Raymond controleert soms.
Ik weet waar mijn kluis is, zei Marijke.
Ja, natuurlijk. Sorry.
En dit nog. Marijke haalde haar oude telefoon uit haar broekzak, met donkergroene hoes. Hier. Alles staat erin: contacten, agenda, berichten. Lees het.
En u?
Ik heb een nieuwe telefoon. Op de naam van Dijkman.
Noor nam hem aan.
Code?
Zes nullen. Al vijf jaar niet gewijzigd.
Ze stonden in de hal. Marijke aangedaan, jas aan. Noor hield telefoon en cardigan vast.
Het is gebruikelijk u succes te wensen begon Noor.
Niet nodig, onderbrak Marijke vriendelijk. Gewoon leven.
En toen liep ze weg.
De regen was bijna opgehouden. Alleen dat fijne, typische Amsterdamse motregen, waarvan je niet precies weet of het nu regent of niet. Marijke liep over de Marnixstraat in een jack gekocht door een ander, met een vreemd paspoort in haar zak, en keek geen enkele keer om.
Van binnen was het stil.
Niet leeg, juist stil.
Ze betrapte zich erop dat ze naar etalages keek. Zomaar. Naar onbekende mensen onder paraplus, een kat in een raam, een lantarenpaal die brandde al was het nog niet donker. Zo lang had ze niet zomaar ergens naar gekeken.
Op het station was het druk. Ze kocht een warme oliebollen bij een vrouw met blauwe schort. Ze at staand bij het raam, turend naar de rails. De oliebol was met appel, iets te donker gebakken verrukkelijk.
De trein vertrok om 23.40.
Ze had nog een uur.
Marijke kocht een boek bij een kiosk. Een thriller, iets wat ze eerder stom had gevonden. Geschreven door een vrouw met een gewone naam, kleurrijke omslag. Precies iets dat ze voorheen te gewoontjes vond.
Ze nam plaats op een bankje en begon te lezen.
Op datzelfde moment trok in het verlichte huis aan de Vecht Noor de Vries Marijkes beige cardigan aan.
Ze stond lang voor de spiegel in de slaapkamer. Probeerde de blik na rustig, direct, een tikkeltje afstandelijk. Het lukte niet helemaal, maar het leek erop.
Els, de huishoudster, werd bijna gek van onuitgesproken vragen. De bazin was terug. Niet ziek, niet verdrietig. Gewoon anders. Een andere geur. Snellere bewegingen. Maar Els was al vijftien jaar in huis en wist: de zaken van mevrouw, zijn niet de hare.
Verwacht Raymond vanavond nog iemand? vroeg Noor met bijna de juiste toon.
Hij belde dat hij na negen uur komt, met een gast.
Wie?
Niet gezegd.
Noor knikte. Kalm, zoals Marijke dat deed.
Dek tafel voor twee. Whisky erbij.
Komt goed.
Noor liep het huis door. Ze was hier voor het eerst, maar kende elke kamer door omschrijving. Marijke was secuur. Toch is het anders om het zelf te zien.
De bibliotheek. De derde plank links, rode banden. Noor keek, en liep verder. Die zal ze nooit aanraken, dat had ze zichzelf beloofd.
Boven de haard: een portret van Marijke, vijftien jaar geleden. Jonger, herkenbaar. Diezelfde blik en houding. Noor keek er lang naar.
Ik zal mijn best doen, fluisterde ze. Niet tegen Marijke, maar tegen zichzelf.
Raymond arriveerde om half tien.
Noor hoorde de auto de oprit op rijden. Ze stond in de deuropening richting woonkamer, precies zoals Marijke het had uitgelegd.
De deur ging open.
Raymond was lang, iets stevig, grijs aan de slapen. Dure jas, afwerpend met routine. Een goed, moe gezicht.
Achter hem een andere man.
Noor herkende direct wat Marijke bedoelde.
Van Asselt.
Victor van Asselt, officier van justitie. Houd afstand. Wees niet gewoon.
Hij was minder groot dan Raymond, breed, opvallende grijze ogen. Niet oud, rond de vijfenvijftig. Hij keek haar meteen langer aan dan normaal.
Marijke, zei Raymond zoals altijd, sleutels geroutineerd op tafel. Dit is Victor van Asselt, je kent hem wel.
Goedenavond, zei Noor.
Van Asselt zei niet meteen iets, nam haar in zich op.
Goedenavond, mevrouw Van Vliet.
Komt u binnen, Els heeft alles klaargemaakt, zei Noor, zich omdraaiend.
Hakken. Marijke liep altijd op hakken. Noors schoenen waren lager, ze wankelde iets bij de drempel. Onopvallend.
Van Asselt zag het.
Ze kwamen in de woonkamer. Els bracht whisky, bordjes met kaas en vlees. Raymond sprak over zakelijke kwesties met Van Asselt, Noor luisterde stil. Dat hoorde zo. Marijke had gezegd: nooit als eerste inbreken op het gesprek van Raymond.
Maar Van Asselt sprak haar toch aan.
Mevrouw Van Vliet, zei hij, wij spraken elkaar laatst nog bij de Van Haasters in juli, toch?
Noor kende geen Van Haasters. Nergens genoteerd. Marijke had die naam niet genoemd.
In juli, herhaalde ze voorzichtig.
U zei toen iets interessants. Van Asselt glimlachte fijn. Dat u wat documenten voor me had en die aan me zou geven.
Noor keek hem aan.
Raymond stopte met eten.
Victor begon hij.
Ik herinner het even, Raymond. Juiste moment vanavond, dacht ik.
Het werd stil in de kamer. Compacter.
Noor wist niets over documenten. Marijke had daar nooit over gesproken.
Victor, het spijt me, ik voel me niet zo fit. Mogen we dit uitstellen?
Van Asselt keek lang naar haar.
Natuurlijk, ik begrijp het.
Maar zijn blik bleef hangen.
Raymond pakte zijn glas, zette het neer, nam weer op. Keek Noor aan, moeilijk te peilen.
Wil je niet drinken?
Hoofdpijn.
Je drinkt altijd whisky bij gesprekken.
Vandaag niet.
Pauze.
Heb je een nieuwe cardigan? vroeg Raymond ineens.
Wat?
Cardigan. Nooit gezien. Is die nieuw?
Ja, zei Noor. Pas gekocht.
Raymond bleef kijken. Van Asselt keek nog altijd.
Noor voelde het grijze T-shirt onder de cardigan op haar huid. Hetzelfde shirt waarmee ze drie dagen geleden Marijke de deur opendeed. Ze had hem niet verwisseld. Marijke had niet gezegd dat dat belangrijk was.
Maar dat was het wel.
Raymond zag het. Niet het shirt zelf. Maar iets anders. Hoe ze zat, het glas vasthield, reageerde op de vraag over de Van Haasters.
Victor, zei Raymond, zijn blik op Noor. Laat ons even.
Van Asselt stond zonder tegenstribbelen op. Vertrok richting bibliotheek zoals iemand die het huis goed kent.
Ze waren met zijn tweeën.
Marijke, zei Raymond.
Noor keek hem aan.
Je draagt je ring aan de verkeerde hand.
Noor keek snel naar haar handen. Marijkes trouwring hoorde aan de rechter ringvinger, zij had hem aan de linker gedaan, uit gewoonte.
Ik was vergeten begon ze.
Je vergeet dat nooit. In tweeëntwintig jaar niet.
Stilte.
Waar is Marijke? vroeg hij zacht. Geen schreeuw, geen beweging.
Noor zweeg.
Waar is mijn vrouw?
Toen trilde de telefoon naast haar. Groene hoes. Marijkes telefoon, die Noor vandaag meegenomen had. Er verscheen een bericht.
Noor pakte hem.
Er stond:
Noor. Je hebt waarschijnlijk al door dat Van Asselt niet toevallig kwam. Het was afspraak. De documenten waarover hij sprak zijn Rays financiële stukken die ik de afgelopen twee jaar verzamelde. Die zijn al bij Van Asselt, eerder vandaag. De akte die je vandaag tekende gaf mij rechten op het huis en een paar andere bezittingen elders, op naam van eenzelfde stroman. Raymond maakte geld over naar een rekening die ik beheer, denkend dat hij routinepapieren tekende die jij namens mij aan hem gaf. Je hebt je rol eerlijk gespeeld. Dank. Het huis in de Provence houd ik echter zelf, sorry. Alles in het huis is voorlopig voor jou, tot Raymond het uitzoekt: dat zal even duren. Je wilde zijn leven proberen nu heb je tijd om dat echt te doen. Ik ben de grens over. Groet, M.
Noor las het twee keer. Keek op naar Raymond.
Raymond keek haar aan.
Van Asselt kwam binnen, zwijgend.
Op dat moment begon Noor te lachen.
Niet hysterisch. Eerst zacht, toen harder. Een echte lach, niet gespeeld, die je niet kunt stoppen. De lach van iemand die elegant is verslagen en daar bijna bewondering voor voelt.
Raymond keek, iets veranderde in zijn blik. Verwarring, dan kou, dan Noor zag het een beetje begrip. Als de dageraad die ongezien opkomt.
Dat was Marijke, zei hij, niet vragend.
Dat was mevrouw Van Vliet, bevestigde Noor lachend. Zeker weten, dat was zij.
Van Asselt liep de kamer uit, met iets wat op een glimlach leek.
En op hetzelfde moment rolde de nachttrein AmsterdamParijs uit het station. Buiten flitsten lichtjes, daarna alleen duisternis en af en toe een lampje.
In de coupé zat een vrouw met een kleine tas. In een donkerblauw jack, sneakers. Onopgestoken haar, een goedkope thriller opengeslagen bij pagina vier.
Marijke van Vliet. Of Wilma Dijkman. Of gewoon een vrouw in een trein, onderweg naar waar ze maar wil.
Op de overliggende bank lag niemand. Ze stak haar benen languit, keek uit het raam.
In haar jaszak zat Raymonds linnen overhemd. Ruitmotief. Ooit had zij het in de kast gelegd toen hij laat thuiskwam en over een zakenreis loog. Ze wist het meteen, zei niks, vouwde het shirt netjes op.
Nu zat het overhemd in haar jaszak, warm van haar hand.
Ze wist niet waarom ze het meenam. Misschien om later ergens achter te laten. In een tuin. In de lavendel. Of eens uit het raam te gooien en te kijken hoe de wind het meevoert.
De trein reed verder.
Marijke sloeg haar boek open.
Ze dacht niet aan Raymond. Niet aan Noor. Niet aan morgen. Ze las over een rechercheur in een kleine stad die nooit op tijd slaapt. Precies wat ze nu wilde.
Op pagina 201 vond de rechercheur een vitale aanwijzing. Marijke legde het boek neer en keek uit het raam. Duisternis. Daarachter Nederland, velden en bossen, onzichtbaar in de nacht.
Ze dacht aan de Provence.
Daar was ze ooit, met Raymond, een jaar of twaalf geleden. Hij had er een afspraak, zij was mee. Op een vrije dag liep ze alleen door een dorpje, at wat bij een kraampje, kletste via gebaren met een oude pottenbakker. Kocht een potje. Nam het mee naar huis. Zette het op het aanrecht.
Raymond vroeg nooit wat dat potje was.
Het potje stond er nog steeds.
Laat het maar staan.
Marijke sloot haar boek. Ging liggen. Sloeg haar jack om zich heen, het was wat fris en ze had geen zin het treinlaken te pakken.
Buiten flitste een verlicht tussenstation voorbij. Een seconde. Weg.
En ze dacht: Zo is het leven ook. Soms zie je een lichtflits en denk je dat dát je leven is. Maar wat telt, is juist misschien net begonnen.
Ze was drieënvijftig. In haar jaszak een paspoort op naam van Dijkman. Voor haar lag een vlucht, nog een trein, daarna een autootje naar een huis met groene luiken. Niemand kende haar daar. Geen verwachtingen.
Eerder vond ze dat een akelig idee.
Nu voelde het als stilte. De stilte die ze zocht.
Ze sloot haar ogen.
Aan de Vecht in Nederland zat Raymond in zijn woonkamer, met de telefoon van zijn vrouw in handen van een wildvreemde. Van Asselt was al vertrokken. Hij had iets gezegd maar Noor hoorde het niet.
Zij en Raymond bleven zitten. Hij met whisky. Zij niets.
U heeft lang gepland, zei hij uiteindelijk.
Ik dacht van wel, antwoordde Noor eerlijk. Blijkt van niet.
Raymond keek haar aan.
Hoe heet u eigenlijk?
Noor. Noor de Vries.
Waar komt u vandaan?
Breda.
Hij knikte. Nam een slok, zette het glas neer.
Ze wist het al die tijd, zei hij dan, niet tegen Noor, tegen zichzelf.
Wat precies?
Alles. Ze wist altijd alles. Ze zweeg gewoon. Zijn stem klonk raar; geen woede, eerder alsof iemand hem net uitlegde wat hij zelf al lang had moeten snappen. Tweeëntwintig jaar. Ze zweeg en wachtte.
Ze wachtte niet op uw fout, zei Noor ineens.
Raymond keek haar aan.
Ze wachtte tot zijzelf ergens niet meer tegen kon. Tot ze zélf weg wilde. Dat is echt anders. Dat zei ze ook: wat belangrijk is gebeurt pas als je het zelf nodig hebt.
Lang was het stil.
En u, wat nu?
Ik weet het niet. Leven, denk ik. Even.
Even?
Tot u uw weg vindt. U redt zich wel. Ik zal u niet tegenwerken. Ze stond op. Iets voor Els morgen?
Raymond keek omhoog.
Nee. Els weet wat ze moet doen.
Goed. Dan wens ik u welterusten.
Ze verliet de kamer. Hij hield haar niet tegen.
Boven vond ze de logeerkamer waar Marijke over vertelde. Klein, met uitzicht op de tuin. Eenvoudig, niet de suiteslaaf van het huis. Noor ging op het bed liggen en staarde naar het plafond.
Ze dacht aan de vrouw in het eenvoudige jack in de nachtelijke trein.
Ze dacht aan hoe die vrouw documenten las, rustig tekende, sprak over Els, over alsjeblieft en dank je wel. Over hoe ze haar dure jas uitdeed, andermans jack aantrok.
Toen dacht Noor: dit is echte vrijheid. Niet geld, niet status. Dit. Weggaan in iemand anders jas zonder één keer om te kijken.
Of ze dat benijdde? Ze wist het niet.
Misschien wel én niet.
s Ochtends kwam Els zoals altijd om acht uur.
Noor was al in de keuken. Ze stond bij het raam, keek naar de herfsttuin kaal, grijs. Wat appelbomen. Struiken die vast mooi zouden bloeien in juni.
Goedemorgen, zei Noor.
Els pauzeerde in de deuropening.
Goedemorgen, mevrouw Van Vliet.
Pauze.
Ik heet Noor, zei Noor.
Els keek haar aan. Kalm. Ze was rond de zestig, met handen van iemand die altijd hard gewerkt heeft.
Prima, zei Els. Noor.
En verder niets. Ze liep de keuken in en begon aan het ontbijt, zoals ze altijd deed.
Noor keek naar haar. Dacht: dit is wie hier echt is. Niet wie zich voordoet, niet wie zich transformeert. Gewoon wie leeft.
Els, zei ze.
Ja?
Marijke is vertrokken.
Ik weet het, zei Els, zonder op te kijken.
U weet het?
Ze nam gisteren afscheid. Ze zei dat ik kon blijven zolang het huis bleef. Ze heeft een brief achtergelaten. En geld. Voor een halfjaar.
Noor zei niets.
Ze was een goede mevrouw, zei Els nuchter. Veeleisend, maar eerlijk.
Ja, zei Noor. Dat denk ik ook.
Els zette het ontbijt stijlvol neer: koffie, toast, kaas.
Neem plaats, zei ze. Anders wordt het koud.
Noor ging zitten.
Ze at toast aan de grote keukentafel, in een huis dat niet het hare was, besefte dat ze maandenlang probeerde iemand anders te worden, en uiteindelijk gewoon zichzelf was, aan andermans tafel.
Misschien betekent dat ook iets.
In de trein werd Marijke vroeg wakker. De dag brak aan. Grijze lucht boven Parijs, daarna voorsteden, dan perrons.
Ze waste zich in een klein treintoilet, keek in de spiegel oud, mat glas. Daarin leek ze gewoons, anoniem.
Dat was goed.
In Parijs pakte ze een taxi naar het vliegveld. De chauffeur zweeg, zij zweeg. Ze reden traag door de spits, Marijke keek uit het raam. Ze was er vaak. Altijd met Raymond. Altijd in andere kleding.
Nu was ze alleen, in een blauw jack. Met een kleine tas.
Op het vliegveld vond ze de incheckbalie. Vlucht naar Nice, over drie uur.
Ze haalde koffie. Grote mok, heet. Installeerde zich bij het raam.
Ze pakte haar nieuwe telefoon, gisteren nog gekocht. Opende de kaart van Zuid-Frankrijk. Zocht het dorpje. Kleine straatjes. De markt op zondag. Wijngaarden achter de heuvels.
Niemand kende haar daar.
Ze was niemand.
Wilma Dijkman, geboren in 62. Gepensioneerd lerares, houdt van rust. Als iemand vraagt zal ze dat zeggen.
En als niemand vraagt, zegt ze niets.
Ze dronk haar koffie op.
Achter het glas wendde een vliegtuig zich van de terminal af, steeg op en verdween in de grijze lucht.
Marijke keek erachteraan en glimlachte.
Niet breed. Teder. Zoals je glimlacht als niemand kijkt en je niets hoeft te spelen.
Voor het eerst in zeker tien jaar. Of in tweeëntwintig, als je eerlijk rekent.
Het vliegtuig verdween. Ze sloeg haar thriller open op pagina 201. De rechercheur had een aanwijzing gevonden. Nu moest hij beslissen wat ermee te doen.
Marijke las. Dronk koffie. Geen haast.
Haar vlucht zou pas over dik twee uur vertrekken.
Ze had tijd.
Tijd om te lezen, om te denken. Om gewoon te kijken hoe vliegtuigen komen en gaan.
Het was een goede dag.
Gewoon.
En juist dat maakte het de beste dag in lange tijd.
Toen kwam de aankondiging.
De vrouw in het blauwe jack sloot haar boek, pakte haar tas en liep naar de gate. Ze liep langzaam, vanzelfsprekend, als iemand die weet dat er niemand wacht en daardoor voor het eerst echt vrij loopt.
In het vliegtuig vroeg ze om een stoel bij het raam.
Die kreeg ze.
Het opstijgen. Wolken. Daarna zon echt zon, niet die Amsterdamse, maar het zuidelijke licht dat niets van je vraagt.
Marijke leunde met haar voorhoofd tegen het koude raam.
Beneden Holland. Daarna niet meer. Daarna Europa, bovenaf gezien als een lappendeken: velden, bossen, rivieren, dorpjes.
Ze huilde niet. Ze hoefde niet te huilen.
Ze wilde gewoon kijken.
Ze keek.
Over drie uur zou ze de Middellandse Zee zien. Dan rijden naar dat huis met groene luiken. Daarna de tuin.
Ze wist niet wat daarna zou komen.
En voor het eerst in haar leven vond ze dat geruststellend.
In haar jackzak zat een geruit overhemd. Ze voelde eraan en dacht: morgen. Morgen kijk ik wel of het goed brandt.
Maar misschien hoeft dat niet.
Misschien hang ik het aan een tak, laat de wind ermee doen wat mogelijk is.
Het vliegtuig vloog over de wolken, zonlicht recht in het raam.
Marijke sloot haar ogen.
Kan ik u iets brengen? vroeg de stewardess.
Water graag, antwoordde Marijke. En glimlachte opnieuw.
Zo begint een nieuw leven. Niet met grootse gebaren, niet met een verklaring van vrijheid. Gewoon met één woord: alsjeblieft. Tegen een vreemde, in een vliegtuig naar het onbekende, zonder angst.
Soms is het enige wat je nodig hebt om op weg te gaan de moed om los te laten, te bedanken, en te leven zoals je zelf wil. Dat is echte vrijheid.






