Drie lessen
Ze drukte op de bel van het portiek en terwijl de zoemer siste in de ontvanger, overwoog ze tot tweemaal toe om weer weg te gaan. Misschien was dit toch te dwaas. Of misschien moest ze gewoon opstappen en strak voor zich uit kijken. De deur klikte, en ze liep het trappenhuis binnen waar op de tweede verdieping een bord hing met Rijschool Klaassen, alsof ze niet kwam leren rijden, maar bij voorbaat haar excuses kwam aanbieden.
De gang rook naar printerpapier en automatenkoffie. Op de muur hingen borden met verkeersborden en een klasserooster. De jonge receptioniste vroeg, zonder op te kijken van haar computer, naar haar achternaam. Ze noemde haar naam en haar stem klonk hoger dan ze wilde.
Voor de praktijkles? De instructeur komt zo. Ga maar zitten, zei de vrouw en knikte naar de stoelen.
Ze nam plaats. Haar knieën konden geen comfortabele houding vinden. In haar tas zaten haar bril in een etui, haar identiteitskaart, een doktersverklaring en een notitieboekje waar ze gisteren netjes had opgeschreven: koppeling, rem, gas. Dat woord koppeling voelde oneigenlijk, bijna intiem.
De deur van het lokaal zwaaide open en een man van in de veertig met een jas en een sleutelbos verscheen. Hij keek op een lijst in zijn telefoon, daarna naar haar.
U… komt voor de praktijkles? vroeg hij zonder te lachen, maar ook zonder de minachting waar ze voor vreesde.
Ja. Ik… ze wilde nog bijna toevoegen als het mag, als u het niet erg vindt, maar ze hield zich in. Ja.
Komt u maar mee. Ik ben Kees de Vries. De auto staat buiten.
Hij zei niet oma, niet zou u niet beter thuis kunnen blijven. Hij liep gewoon weg, en ze moest opstaan en naast hem lopen, hem bijhouden. Op de trap hield ze de leuning vast, zoals in het ziekenhuis, hoewel de treden vlak waren.
Buiten stond een lesauto, een zilveren Volkswagen met een blauwe L op het dak. Kees de Vries opende het portier van de passagiersstoel, legde een map op het dashboard en ging zitten. Zij liep om de auto heen, stond even stil bij de bestuurdersdeur, en nu voelden haar handen totaal vreemd. Sleutels, gordel, pedalen het hoorde niet bij haar. Haar leven draaide altijd om andere vaardigheden: geduld, woorden, onopvallendheid.
Ga maar zitten, zei hij. We stellen eerst je stoel en spiegels af.
Ze deed wat hij zei. De stoel stond laag en ze trok hem met de hendel naar voren. De leuning, het stuur, alles voelde stroef aan in haar vingers, die ouder leken dan het spiegelbeeld thuis. Ze zette haar bril goed.
Kun je de pedalen bereiken? vroeg Kees de Vries.
Dat lukt.
Mooi. Gordel.
De klik van het slot stelde haar op een vreemde manier gerust. Alsof niet haar lichaam, maar haar besluit werd vastgeklikt.
Koppeling links. Rem in het midden. Gas rechts. Voel eerst even waar ze zitten niet drukken, alleen aanraken.
Ze raakte ze aan. De pedalen waren stug, zoals zware voordeuren. Kees de Vries legde alles rustig uit, korte zinnen, kalme stem. Ze betrapte zichzelf erop dat ze waardering verwachtte: goed gedaan of goh, mevrouw. Maar hij beoordeelde niet, hij leidde gewoon.
Starten. Steek de sleutel hier in, draaien. Hoor de motor. Volledig koppeling in, eerste versnelling. Nu langzaam de koppeling loslaten, beetje gas.
Ze deed wat hij zei. De motor schokte en sloeg af.
Geen punt, zei hij. Dat is normaal. Nog een keer.
Normaal voelde bijna als een cadeau. Ze trapte de koppeling weer in, startte opnieuw. Langzamer nu. De auto kroop vooruit.
Goed zo. Houd het stuur met twee handen vast. Laat je schouders los.
Maar haar schouders bleven omhoog getrokken. Ze probeerde ze te laten zakken, maar meteen voelde ze zich kwetsbaarder, alsof ontspannen controleverlies betekende. Ze reed tussen de geparkeerde Peugeots en Opels. Een vrouw kwam uit het portiek, keek naar de lesauto en wendde zich af. Ze wist zeker dat iedereen haar leeftijd zag door het raam.
Verderop komt een bocht. Rustig nemen. Kijk waar je heen wilt rijden, zei Kees de Vries.
Ze keek naar het einde van het hofje, naar de uitgang, naar het asfalt met witte lijnen. Tot haar verbazing volgde de auto haar handen. Ze voelde ineens dat het stuur geen vijand was. Alleen duidelijkheid vroeg.
Na veertig minuten stapte ze uit met slappe benen. Haar vingers trilden alsof ze in koud water gewassen waren. Kees de Vries noteerde iets in zijn schrift.
Voor vandaag is het goed. Thuis kun je in gedachten herhalen: koppeling, versnelling, blik. Maak je niet druk om het afslaan. Iedereen slaat af.
Ze knikte, bijna zei ze weer sorry. Voor het afslaan, voor het innemen van zijn tijd, voor haar hele aanwezigheid. Ze hield zich stil.
s Avonds legde ze haar notitieboekje op de keukentafel, open bij de pagina met de pedalen. Haar man, die haar besluiten rustig onderging als het weer, vroeg:
En, hoe ging het?
Het rijdt, zei ze, en tot haar eigen verbazing klonk het niet als een klaagzang.
s Nachts werd ze wakker en dacht aan het schokken van de auto. Bekropen door het bekende waar ben ik aan begonnen. Ze luisterde naar het tikken van de klok in de kamer naast haar, dacht aan de kleinkinderen die door hun ouders, door taxi’s of door haarzelf per ov met overstap vervoerd werden. Aan het tuinhuisje, waar ze steeds minder naartoe ging, omdat de tassen te zwaar waren en hulp vragen niet haar stijl. Aan de huisartsenpost met de rijen en de opmerkingen: Misschien moet u iemand meenemen. Toen voelde ze opeens messcherp ze deed dit niet voor een auto. Ze wilde niet steeds alles hoeven verklaren.
De tweede les kwam ze te vroeg. Zelfde stoel, bril uit de tas, legitimatie en doktersverklaring paraat al waren ze niet meer nodig. Ze hield zich graag vast aan routine.
Kees de Vries nam haar mee naar een oefenterrein buiten het dorp, met pionnen en belijning. Er stonden nog twee lesauto’s. Bij één rookte een jongen in sportjack, naast hem lachte een meisje. Ze keken haar aan, glimlachten.
We gaan oefenen met wegrijden op een helling en keren op een smal stuk, zei Kees de Vries. Rustig aan.
Ze nam plaats achter het stuur. Haar handen wisten de hendel al te vinden. Spiegels. Gordel. Dat werd haar persoonlijke ritueel.
Op het hellinkje sloeg de motor weer af. Toen nog eens. Haar wangen brandden. Buiten riep iemand luid:
Kom op oma, geef gas!
Het kwam niet bij haar oren, maar in haar rug terecht. Alsof iemand haar afduwde. Ze liet de koppeling los, de auto schokte en rolde achteruit. Kees trapte direct op de rem.
Stop. Rustig. Zijn stem bleef vlak. Niets aan de hand. Koppeling vast, rem vast, adem.
Ze klemde zich vast aan het stuur. Haar hart bonsde zo dat ze het buiten dacht te horen. In haar hoofd flitste: het is goed zo, ik stop ermee. Ze zag voor zich hoe ze uit zou stappen, tegen de receptioniste zou zeggen: ik doe het niet meer. En dan uitleggen aan iedereen thuis, het is me niet gelukt. Ze schaamde zich niet om de misser, maar omdat ze bijna toegaf aan het gelach van een ander.
Ik sta in de weg, fluisterde ze.
U leert, zei Kees de Vries. Dit oefenterrein is er juist voor.
Hij keek in de spiegel, toen naar haar.
Die schreeuwlelijk daar, laat hem eerst zelf maar examen doen. Richt je op je pedalen en je blik.
De woorden waren simpel, maar gaven iets wat ze vaak miste: het recht om te leren zonder verantwoorden.
Ze startte opnieuw. Deze keer hoefde ze niet te bewijzen dat ze snel kon. Ze luisterde naar de motor zoals hij had gezegd. Ze ving het moment dat de auto wilde bewegen, gaf gas, en de wagen kwam omhoog. Niet perfect, maar het lukte.
Na afloop stelde Kees voor samen naar de bushalte te lopen het busje reed immers zelden, en wachten in de wind was niks. Ze liepen samen langs de weg, en haar benen herinnerden zich de pedalen.
Je liet je afschrikken door die opmerking, hè, zei hij.
Ze wilde zeggen: ach, stelt niets voor, maar hield zich in.
Ja. Ik vind het niks als mensen naar me kijken, gaf ze toe.
Iedereen kijkt op de weg. Maar kijken geeft geen recht. Jij hebt recht om te leren.
Ze knikte. Recht hebben klonk bijna onwerkelijk, als een officieel document.
Thuis belde ze haar vriendin, met wie ze elke week rugoefeningen deed in het wijkgebouw. De vriendin lachte smalend.
Laat ze lachen. Dat doen ze omdat ze niet durven denken aan hoe het later is. Jij laat zien dat het kan.
Ik hoef niks te bewijzen, zei ze.
Dan bewijs je het aan jezelf, antwoordde haar vriendin. Je zegt toch ook niet sorry als je naar de apotheek gaat.
Na het gesprek bleef ze lang aan de keukentafel zitten. In de ruit weerkaatste de lamp, en in die weerkaatsing was ze niet jong en niet oud, maar levend. Met handen die trillen van angst, maar toch blijven vasthouden.
Op de derde les nam ze dunne autorijhandschoenen mee, gekocht bij de Blokker. Niet van leer, niet mooi alleen praktisch, tegen het glijden. Ze stopte ze in haar tas, dit keer niet om te laten zien, maar voor zichzelf.
Kees de Vries wachtte haar op bij de ingang.
Klaar? Vandaag gaan we de stad in. Rustige straten, geen snelwegen.
Het woord stad klemde om haar maag. Ze dacht aan kruispunten, stadsbussen die afsnijden, automobilisten die toeteren. Maar ze zei:
Ik ben er klaar voor.
Ze namen plaats in de auto. Ze deed haar handschoenen aan, klikte de gordel vast, stelde de spiegels af. Haar handen voelden steviger, alsof er een grens was getrokken.
Eerst gingen ze door de woonwijk. Daarna de straat op, twee rijstroken. Kees stuurde alles steeds wat van tevoren in:
Over tweehonderd meter invoegen naar rechts. Spiegel, richtingaanwijzer, over je schouder kijken.
Ze deed het. De knipper lichtte als een metronoom. Ze keek in de spiegel, draaide haar hoofd naar de dode hoek zoals hij uitlegde. De auto achter haar hield afstand. Niemand claxonneerde. De wereld zakte niet in.
Bij het stoplicht stopte ze voor rood. Haar voet op de rem was moe, ze verplaatste haar hiel even. In de auto naast haar keek de bestuurder naar de L op het dak en wendde zich af. Opeens maakte het haar niets meer uit wat hij dacht. Ze had haar eigen taak.
Straks een draai maken, zei Kees. Pittig, maar we staan op een ruime plek.
Ze reden naar een brede strook bij een braakliggend terrein, waar in de winter altijd de wijkkerstboom stond. De draai vergde aandacht: richting naar links, kijken, voorsturen, draaien zonder het trottoir te raken.
Haar rug spande zich. En als ik nu afsla midden op het kruispunt? schoot het door haar hoofd. Maar ze dacht aan de helling, en hoe Kees had gezegd: op je blik letten. Ze keek waar ze uit moest komen, begon.
Het stuur ging zwaar, maar de handschoenen gleden niet. De auto maakte de bocht. Ze hoorde Kees zacht zeggen:
Goed zo. Hou dit vast. Nog iets verder.
Ze trok het stuur recht. De auto stond in de goede baan. Het was geen spektakel, geen schok, geen paniek.
Ze blies haar adem uit, merkte dat ze die al die tijd had ingehouden. Het voelde lichter in haar borst, als na het beklimmen van een flat.
Na een paar minuten stopten ze langs de kant.
Prima gedaan, zei Kees. Zie je, het lukt.
Ze keek naar haar handen op het stuur. De handschoenen voelden klam. Ze deed er één uit, droogde haar hand aan haar broek, trok hem weer aan.
Meneer de Vries, zei ze, haar stem vaster dan bij de eerste les. Mag ik wat vragen? Als ik iets fout doe, wilt u het dan uitleggen zonder stemverheffing? Ik leer makkelijker zo.
Hij knikte, alsof het vanzelf sprak.
Natuurlijk. En jij mag alles vragen wat onduidelijk is. Dat is jouw taak vragen. Die van mij: uitleggen.
Ze vond het heerlijk: taak. Geen grilligheid, geen gunst, maar werk. Geen verontschuldiging daarvoor.
Na afloop liepen ze samen naar de rijschool. Ze stapte uit en deed de deur zo voorzichtig dicht als was het haar eigen auto. Kees gaf haar een kaartje met het rooster.
Zullen we je inschrijven voor het interne examen over twee weken? vroeg hij.
Ze keek naar de datum. Twee weken. Niet morgen, niet ooit. Echt.
Schrijf maar op, zei ze.
Het oude verlangen om te zeggen als het lukt, als u niet teleurgesteld bent kwam even op, maar ze slikte het in.
Aan de balie keek de receptioniste op.
En, was het wat?
We zijn goed bezig, antwoordde ze met een korte glimlach, zonder franje.
Buiten haalde ze haar handschoenen uit de tas, vouwde ze netjes op en borg ze weg. Daarna liep ze naar de bushalte. De bus kwam tien minuten later. Ze stapte in, hield haar OV-chipkaart tegen de lezer en ging bij het raam zitten.
Het was een kort stuk rijden. Toch keek ze ineens anders naar de weg. Niet als een passagier die gebracht wil worden, maar als iemand die weet wat handen en voeten allemaal doen bij elke draai.
Thuis hing ze haar jas op de kapstok. Vanuit de kamer vroeg haar man:
Je stopt er toch niet mee?
Ze hing haar jas heel langzaam, met aandacht, en antwoordde:
Ik ga door.
Er zat geen uitdaging in die zin, alleen een rustige plek in haarzelf waar ze niet langer sorry hoefde te zeggen voor haar eigen leven.





