Hey, luister even. Ik moet je een gek verhaal vertellen dat al generaties in de familie van Jan van Dijk rondgaat. Het begint met die oude Jan, die altijd zegt: Wat een kleindochter heb je, Jan de Dijk, met die zwarte ogen en witte tanden. Waar komt zon meisje vandaan? Is dat wel van ons?
Maar het is van mij, hoor! Een keer per generatie komt zon kind, ik ben al drie generaties verder nu, de kleindochter van mijn zoon, de oude Arjan, en ik krijg straks een achterkleindochter, antwoordt Jan met een scheve lach.
Ik knik. Maar Jan, jullie staan toch al eeuwenlang met het witte haar? Ik ken jullie allemaal, jullie waren bij mijn opa, de boer Jelle, als arbeiders Jullie voorouders hebben altijd trouw en eerlijk gewerkt.
Ja, we dienden al de heer van de buurt, mijn overgrootvader was koster, mijn vader, mijn opa en ikzelf ook, zegt Jan. De zonen gingen naar de stad. Piet de koerier werkt nu bij de heer van de Bilt, een rijpe, rijke vrouw heeft een boerderij en kinderen. Simon de winkelier is koster in de bakkerij en wil een eigen zaak beginnen. Arjan, de vader van Anke, is militair, heeft medailles en werd door de prins zelf geprezen.
Anke leeft goed, houdt de boerderij draaiende, en hij heeft een zoon, Anton, die een mooie vrouw, de lieve Anke, krijgt. Zon meisje komt zelden in onze tak, maar wanneer ze geboren wordt, is ze net als Anke, zon echte Noordse schoonheid.
Daar zit de oude Jan, de netten uittrekkend, terwijl een meisje met zwarte ogen en lenige vingertjes, zo mooi dat je zou denken ze is een beeldje, om hem heen zweeft. Direct naast hem staat de jonge Jan, Pieter de Jongen, die van Anke niet kan afblijven.
Anke, wil je met me trouwen? vraagt hij.
Ik ben nog zo jong, heer, protesteert ze. Natuurlijk ben ik jong, maar wanneer ik groot ben, ga je al oud zijn. Ik wil een jonge man, niet jou.
En met wie ga je dan? vraagt hij. Heb je al iemand?
Nee, nog niet. Oma Truus zei dat ik het zal weten wanneer hij komt zegt ze, vol serieuze blik.
Oma Truus? vrag ik. Wie is die?!
Jan glimlacht. Ach, die luister je toch niet, ze kletst wat ons niet moet.
Mag ik met de hond, Vlam, spelen? vraagt Anke, en ze rent weg langs het riviertje, rennend tegen de jachthond van Jan, Vlam, aan.
Hoe kent ze die naam? vraag ik verbaasd. Jan, jij bent de enige die een hond heeft gebracht vandaag, antwoordt Jan. Ik heb hem net net binnengehaald.
Anke dartelt verder, Vlam springt om haar heen. Pieter, die van mystiek houdt en gedichten schrijft, wordt geraakt door die vrolijke scène. Later, in de herfst, lopen Pieter en Anke samen langs de bosrand, Anke met haar opa op zoek naar paddenstoelen. Pieter fluistert een gedicht terwijl Vlam, die al even bij zijn voeten draait, plotseling naar voren springt.
Vlam, Vlammetje, roept Pieter, en de hond valt op zijn rug en spartelt, terwijl een klein meisje zich buigt om hem te aaien.
Hoi, Anke, zegt Pieter.
Hoi, Pieter, antwoordt ze. Ben je alleen?
Waarom niet, de opa is bij het paddenstoelen zoeken, zegt ze, en ze lopen samen naar de oude boerderij.
Dus, Anke, ben je nog steeds van plan om met me te trouwen? vraagt Pieter.
Nee, mijn pad ligt elders. Ik zal in een andere streek wonen, mijn eigen lot vinden, en je moet niet blijven treuren om mij, lacht ze zacht.
Wat een passie, Anke, lacht Pieter. Dat zegt Truus wel.
Wie is die Truus? vraagt Pieter nieuwsgierig.
Mijn oma, antwoordt Anke, en rent weer met Vlam weg.
Jan de Dijk, die nu wat meer wil weten over de legende van die bijzondere meisjes, vraagt: Vertel, waarom krijgen wij zon zwarte oogjes en witte tanden?
Jan leunt achterover op een boomstam, kijkt Pieter aan en zegt: Er was eens, lang geleden, een zigeunerkamp naast ons dorp. De heer van de Bilt hield van de zigeuners, was rijk en gastvrij. Hij viel voor een jonge zigeunervrucht, zo prachtig dat haar schoonheid bijna niet van deze wereld leek. Haar ogen glinsterden, haar lippen rood, haar tanden parels, haar haar een zee van krullen onder een felgekleurde sjaal.
Men noemde haar Vogel, een soort heks, maar Truus, mijn oma, was al bij haar geboren. Ze was ondeugend, luidruchtig, met een sterke wil.
De heer smeekte haar vader om haar af te staan of te verkopen, fluisterde Jan. Maar de oude zigeuner, Zuraal, protesteerde: Houd haar niet tegen haar wil, laat haar zelf kiezen. Truus lachte en zei: Ik ben geen kleindochter die je kunt weggeven.
De heer verloor het verstand, trok op de knieën, greep haar rok en begon haar te kussen, gooide geld om zich heen en fluisterde: Kom met mij, ik stel je voor aan de keizerin, je krijgt een gouden koets, jurken als de keizerin, alles.
Maar Truus, een echte zigeuner, zei: Ik draag al mijn eigen kostuum, ren op het gras met blote voeten, en ik wil geen gouden koets, want die zou mij gevangen zetten.
De zigeuners vertrokken die nacht, de heer achtervolgde ze met bewakers, beschuldigde ze van diefstal. Een meisje kwam naar hem toe, vroeg de zigeuners vrij te laten, liep weg en zong een lied. De oude wijngaarden weerklonken van vogels, en Truus keek de heer met een scheve grijns aan: Ik heb je gewaarschuwd, nu verlies je het kostbaarste dat je hebt.
De heer verloor alles, gaf geld weg, organiseerde feesten, en poëzie werd geschreven voor Truus. Hij vroeg: Wanneer word ik jouw vrouw? Truus antwoordde: Niet nu, je amuseert me nog niet genoeg.
Uiteindelijk kwam de illegale zoon van de heer, Vladimir, terug om zijn vader te redden. Truus zei: Mijn tijd komt, het is bijna hier. Twee weken later vertrok Truus terug naar de step, gevolgd door Vladimir.
Jaren later verscheen Anke weer, nu een volwassen vrouw, en ontmoette ze Pieter, die in ballingschap was. Ze leidde hem en zijn vrienden naar een ondergrondse grot, zei: Mijn volk heeft hier eeuwenlang ondergedoken, kom maar, ik help jullie.
Pieter herkende Anke niet meer, maar zei: Anke, ik hou van je. Ze lachte: Ik ben nu een ander, een vrij meisje, maar ik wil je wel helpen.
Dankzij haar ontsnapten ze, en Pieter tekende later haar portret bij een schilder. Hij trouwde later, maar het beeld van Anke bleef in zijn hart. Toen hij oud werd, ontdekte men pas na zijn dood de waarheid achter dat portret.
Anke trouwde met de grote commissaris die die nacht op haar wachtte. Tijdens de repressies werd haar man geëlimineerd, later gerehabiliteerd, en ze kreeg drie zonen en een dochter. Ze overleed jong, zag alleen haar eerste kleinzoon en niets meer. Toen die kleinzoon’s dochter werd geboren, leek ze sprekend op haar overgrootmoeder.
Een buurman in de achtertuin vroeg: Nikol, hoe komt het dat jouw Annelies zo licht is, net als die oude familie? Nikol lachte: Onze, onze, ze is echt van ons. De buurman vroeg: Wat is haar naam, die zigeunerin? Zie die ketting om haar hals.
Geen ketting, maar een monniks ketting, zei de dochter met heldere, zwarte ogen, en ze heet Truus.
Zo, dat was het verhaal. Het is een beetje gek, maar ik vind het toch mooi hoe die oude legende door de generaties blijft gaan, net als onze eigen tulpen die elk jaar weer bloeien. Groetjes!






