Janneke kwam veel te vroeg thuis van haar werk, het was nog donkerblauw buiten, alsof zelfs de zon vergeten was op te staan. Ze had zon dag die aanvoelde als fietsen tegen een ijzige maartwind over de Dam, en nu wilde ze alleen nog maar haar schoenen uitgooien en in het warme huis verdwijnen.
In de gang hing een vreemde geur, kruidig niet de hare. Bovenop de laarsjes van Luuk, haar man, stonden hakken; hoge, laklederen pumps, als losgeraakt uit een Amsterdams etalage. Een lichtroze trenchcoat hing slordig tussen hun regenjassen. Alles leek ineens vol, als een droomhuis waar de kamers zichzelf vullen.
Uit de slaapkamer hoorde ze zacht geritsel, een onduidelijk giecheltje, het kreunen van hun bed zoals alleen zij het kende. Janneke bleef staan bij de deuropening, in het licht dat als stroop op de gang gleed. Ze voelde een adem die niet de hare was, niet eens de zijne.
De deur zwaaide open daar lag Luuk, halfnaakt, zwetend, samen met een vreemde vrouw, te dichtbij, té vertrouwd. De ketting om de hals van de vrouw schitterde als de ijzel op een brug. Zonder woorden, zonder drama, geen woede, geen traan niets. Janneke glimlachte, keek hen net even te lang aan, en zei: Ik ben in de keuken. Kleed je aan. We moeten praten.
In de keuken knipte ze het licht aan dat flakkerde als maanlicht in een museum. Ze pakte een broodmes en groente uit de koelkast komkommer, tomaat, radijs. Elke snede op het houten plankje klonk als een klokslag. Terwijl ze sneed, kwamen Luuk en de vrouw aarzelend binnen, hun schaduwen kropen over de plavuizen.
Janneke zette drie borden neer, en ging er rustig bij zitten.
Eerst ontbijten, fluisterde ze, haar stem zo vlak als een sloot op een windstille dag. Ik heb honger na mijn nachtdienst. Daarna praten we.
Luuk ademde opgelucht, de sfeer leek te ontdooien. Hij prikte driftig in zijn ontbijt, een boterham met gebakken ei, plakjes boerenkaas, een schepje pittige sambal die ze altijd al bij speciale gelegenheden gebruikte.
Je kon altijd zo lekker koken, murmelde hij met een nerveuze glimlach.
Ja, zei Janneke droog, haar ogen verdwenen achter de stoom van haar thee. Maar dit is je afscheidsontbijt.
Op dat moment keek Luuk op, zijn vork halvewege zijn mond. Bedoel je ga je scheiden?
Natuurlijk, zei Janneke, en plots verscheen er een grijns die niet bij haar gezicht hoorde.
Luuk nam nog een hap, toen stokte hij, zijn keel werd strak. Hij verslikte zich, hoestte, zijn wangen werden bleek als melk.
Wat zit er in? bracht hij uit, zijn stem sloeg over. Wat heb je erin gedaan?
Janneke trok haar wenkbrauwen op. Niets dodelijks. Maar je weet hoeveel paniek jij altijd hebt.
Zijn ademhaling versnelde. De minnares sprong op, haar ogen groot als euromunten.
Luuk, je allergie fluisterde ze. Gaat het?
Luuk begon te stikken, of dacht dat in elk geval. Wat echt was of wat niet, wist hij niet meer. Alles draaide, als fietsen op een brug in de mist.
Janneke stond op. O ja, en ik heb de medicijnen even weggestopt, zei ze achteloos. Maak je maar geen zorgen, het is geen vergif.
Ze liep naar de gang en draaide zich nog één keer om, haar blik koud als het IJsselmeer in januari.
Je zult je heel je leven dit ontbijt herinneren, Luuk. Net zoals ik altijd weet hoe jij mij hebt verraden.
Ze sloeg de deur achter zich dicht; de minnares belde nog net op tijd de ambulance. Luuk werd met spoed naar het ziekenhuis gebracht een allergische aanval door een overdosis peper en sambal uit de Indische toko, heimelijk verborgen tussen het kaas en ei.
En ergens in Amsterdam dreef, in de stilte na het onweer, het beeld van dat koude, surreële ontbijt zachtjes rond, als een droom die je niet kan vergeten.





