De volgende dag hing de buurvrouw opnieuw dromerig over ons hek. Mijn vrouw liep naar haar toe en zei dat we vandaag veel te doen hadden, dus dat we helaas niet konden zitten zoals gisteren. En morgen dan?, vroeg Babette met grote ogen, haar stem als druppels water op rimpelloos glas. Morgen ook niet. Eigenlijk, kom maar liever niet meer langs, antwoordde mijn vrouw zonder aarzeling.
Mijn verlangen om in de stad te wonen had nooit iets goeds opgeleverd.
Mijn vrouw, Anne, had een huisje buiten in Drenthe, ergens aan een kromme beek waar de wilgen hun wortels lieten hangen als handen in sluimer. Toen haar ouders nog leefden, reisden we vaak uit Amsterdam om daar te overnachten. Ik genoot onder die lange avonden, wanneer ze samen boerenkaas op tafel legden en we zwijgend keken hoe de zon achter een schuur verdween. s Winters stookte haar moeder het oude, betegelde fornuis op en rook het hele huis naar versgebakken appeltaart. Zelfs de katten hielden hun adem in.
Anne en ik hielden ervan ons in de sneeuw te storten, met de slee de heuvels af in Friesland, of winkelen op de markt in Leeuwarden voor wollen truien. Maar nadat haar ouders vertrokken waren als schepen in de mist bleef het huis leeg. Verkopen deden we het niet, maar we kwamen er nauwelijks meer.
Er was altijd wel iets anders te doen; afspraken, werk, verjaardagen. Uiteindelijk dacht niemand van ons nog aan dat huis. Jaren slopen weg over de drempel. Onze zoon, Bart, vond een meid Marijn, zo Hollands als polders en paardenbloemen. Ze droomde ervan een zomer lang op het platteland te wonen.
Ineens herinnerden we ons het huisje bij het riet. Anne en ik gingen vast vooruit; alles zag nog uit als vroeger, maar was overgroeid, stoffig en schuin gezakt van het wachten. Anne trok met een sopdoek door de kamer, ik harkte het erf. In mijn hoofd hoopte ik dat de muren na al die jaren niet om zouden vallen, maar na de schoonmaak blonken ze weer als sterren.
De volgende dag arriveerde de familie. Samen gingen we aan de slag: poetsen, maaien, onkruid trekken. Binnen een dag leefde het huisje weer als een droom bij de Vecht. De vrouwen maakten stamppot, Bart en ik knapten de oude picknicktafel op, net onder de perenboom. Plots voelde ik ogen in mijn rug.
Daar stond ze. De buurvrouw, Babette, een gestalte in een zachtgele jurk aan de andere kant van het hek. Ze stelde zich voor, vertelde dat ze het huis naast ons onlangs gekocht had. Alleen woonde ze daar, zei ze, haar dochter was verhuisd naar Utrecht en had drie kinderen. Haar ex-man was voorgoed met de boot naar Texel verdwenen. Babette haar stem vloeide als stroop over het gras, maar ik hoorde haar nauwelijks, want onder de tafel voelde ik iets langs mijn been strijken.
Ik keek onder tafel: haar voet, als een losse klomp op zoek naar een schuitje. Ik trok mijn been weg, de droom draaide vreemder. Zij bleef glimlachend praten, mijn ongemak groeide als onkruid tussen de tegels. Anne had niets door. Babette bleef verhalen schenken als jenever in kleine glaasjes. Binnen werden de kinderen onrustig en piekerig. Ik hoopte enkel dat ze naar huis zou gaan. Tijdens het opruimen fluisterde Anne me toe dat Babette een warhoofd was daar kon ik niet tegenin brengen. Maar ik vertelde haar niet over de voet onder tafel. Het voelde als een geheim dat alleen in dromen kon bestaan, alsof ik plots een rol had in iemand anders haar nachtmerrie.
De ochtend erna hing Babette dus weer aan ons hek, haar haar een gordijn tegen de wind, haar woorden als vlinders rondom. Anne vertelde haar vriendelijk maar beslist dat we veel werk hadden. Opnieuw vroeg Babette, En morgen dan? Anne antwoordde, Morgen niets anders. Kom alsjeblieft niet meer langs.
Een daad die heldhaftig voelde in de wazige logica van die droom Babette prevelde wat onverstaanbaars en draaide zich van ons af, als iemand die de verkeerde straat uitloopt in een mistige stad. Het deerde me niet. Anne had juist gehandeld, dacht ik, want wij zijn gewone mensen met de nuchterheid van het polderland. Je voelt meteen als iemand er niet bij hoort, zelfs in dromen, en dan zoek je vanzelf de dijk op, met het hoofd in de Hollandse wind.






