Mijn schoonmoeder kwam met een ondoorgrondelijk voorstel: we zouden bij haar intrekken in haar huis langs de Amstel, terwijl we ons eigen appartement in Utrecht verhuurden. Er waren in deze droom-achtige werkelijkheid nauwelijks andere mogelijkheden, dus stemden wij instemmend, of misschien berustten we gewoon. Zolang mijn man thuis was, zweefden vriendelijkheid en begrip als dampen door het huis, maar zodra hij naar buiten stapte, loste alles op. Plotseling was ik maar een schim in het familiaire landschap, verbannen van de keuken en de glimmende koelkast zelfs de kaas mocht ik niet aanraken.
Vele nachten huilde ik dromerig op de schouder van mijn man, Daan, proberend te fluisteren wat er gaande was in de schemering tussen slaap en werkelijkheid. Maar Daan leek te twijfelen aan deze nachtelijke verhalen. Mijn moeder en zus Marije? Dat kan toch niet, murmelde hij, en hij trok de dekens strakker om zich heen. Hij geloofde me echt niet toen ik vertelde dat ze s nachts mijn borstel bedekten met stroop, alsof het huis zelf wraakzuchtig werd. Hoe lang had ik zo kunnen doorleven als er niet iets bizars was gebeurd?
Normaal liepen Daan en ik in de ochtend samen over de natte klinkers: hij naar kantoor, ik met onze kinderen naar het kinderdagverblijf. Maar op een dag had Daan koortsige dromen en bleef hij onder de dekens liggen. Toen ik terugkeerde van de Albert Heijn, botste ik in de gang zomaar tegen Jasper aan, de partner van Marije.
Hé jij, ga even snel wat Hertog Jan halen!
Ben je nou helemaal mal? floepte ik er verbaasd uit.
Luister je niet? Bier! Nu! Moet ik het uitleggen in kleuterschooltaal?
Plots verscheen mijn schoonmoeder, haar schort vol kruimels:
Juist! Doe dan tenminste iets nuttigs, niets-uitvretende sloof! En neem meteen het vuilnis mee!
De deur naar onze kamer zwaaide open Daan had alles gehoord. Een drukkend stilzwijgen dwarrelde als mist neer. Mijn schoonmoeder vluchtte de keuken in, haar pantoffels sloffend. Daan stapte zn droom uit, greep Jasper bij zn kraag en gooide hem met een zachte klap de trap af het portiek in, gillend dat die hier nooit meer mocht komen.
Marije hapte naar adem, maar haalde alleen haar schouders op. Mijn schoonmoeder perste een ruzie uit haar lippen, maar Daan hield haar tegen met één opgestoken hand. Meteen belde hij onze huurders: Dit is jullie laatste maand in ons appartement. Daarna draaide hij zich naar zijn moeder en zus: **Als jullie nog één onvertogen woord verliezen over mijn vrouw voor het einde van de maand, hoeven jullie mij niet meer te kennen.**
Na precies één maand, onder de nog steeds schemerende droomlucht, verhuisden wij terug naar ons eigen Utrechtse appartement. Maar de nachtmerrie bleef spoken in mijn hoofd, net als een onafgesloten deur ergens in een oneindig trappenhuis. Mijn schoonmoeder en stugge schoonvader verwierpen Daan als zoon, maar het voelde voor hem alsof ze lucht waren geworden. Hij zei dat hij ze nooit meer wilde zien of horen; hun stemmen gleden als koude wind weg, en verdwenen in de mist over de grachten.





