De oudere vrouw draaide zich naar Robbert toe en zei iets waar hij rillingen van kreeg: Vandaag wordt het een prachtige zonnige dag. We hebben tijd zat om eens iets te ondernemen.
Robbert zat op een rustige woensdag in de trein, het was allesbehalve druk in de coupé. Een oudere dame, duidelijk op weg naar haar volkstuin ergens op het platteland (net als Robbert trouwens, en de helft van de reizigers om hen heen), plofte naast hem neer. Terwijl het vertrouwde ritme van de rails hem wiegde, dacht Robbert weemoedig aan zijn overleden vrouw. Zij hadden vroeger altijd samen in de moestuin gespit, maar nadat zij ziek werd, was hij er nog nauwelijks geweest. Alleen zon lamlendig tuinhuisje bezoeken dat viel vies tegen.
Bij station Bloemendaal keek de vrouw hem plots aan en sprak die bekende woorden, precies zoals zijn vrouw dat ooit deed. Robbert knikte, nog steeds half van de kaart, en ze raakten in gesprek. Ze klaagden wat over de waardeloze oogst van dit jaar, de natte winter, en deelden hoopvolle ideeën voor volgend jaar want ja, zaadjes blijven dromen.
Toen ze uitstapten bij bushalte De Lindeboom, realiseerde Robbert zich dat hij haar nooit eerder had ontmoet, best gek eigenlijk. Ze liepen samen op richting de tuinen, en na een vrolijk tot ziens sloeg ieder zijn eigen pad in. Toen Robbert zijn stukje tuin zag, schrok hij: het onkruid vierde feest en alle bloemen leken ten onder te gaan aan zijn afwezigheid. Toch merkte hij dat het gesprekje in de trein zijn humeur had opgefleurd bijna alsof het lente was in zijn hoofd en kreeg hij zin om eens echt aan de slag te gaan.
Met vernieuwde energie begon hij te wroeten, trekken, zaaien de modder onder zijn nagels voelde vertrouwd en goed. Toen hij na afloop zijn boterhammen-met-hagelslag opat op een gammel bankje, met een beker lauwe thee erbij, keek hij dromerig naar zijn geliefde tulpen en de eerste Elstar-appels van het seizoen. Het deed hem goed.
Langzaam maar zeker verbeterde Robberts stemming. Sterker nog, hij besloot voortaan vaker te komen. Tijdens het plukken van paddestoelen in het nabijgelegen bos voelde hij zich plots een stuk lichter, alsof hij een zwaar jutezak had afgedaan. Het tuinieren gaf zijn dagen weer kleur.
Onderweg terug naar het station kwam hij de oudere vrouw weer tegen. Ze deelden een appel, lachten om overdrijvende molshopen en de erfkonijnen die altijd nét alles opaten. De vrouw vertelde Robbert bemoedigend dat hij zelf nog in de bloei van zijn leven zat en dat een beetje tuinieren nooit kwaad kon. Toen hij afscheid nam en uitstapte bij zijn halte, glimlachte Robbert naar de oranje ondergaande zon, tevreden en met een hart dat een stuk lichter voelde dan bij vertrek.






