DE JONGEN DIE EEN BOS PLANTTE: Hoe ik als kind uit een klein Brabants dorp begon met zaaien, lachend werd nagekeken, maar uiteindelijk samen met vrienden een kaal stuk hei omtoverde tot een levendig bos vol vogels, beekjes en hoop voor de toekomst

Mijn naam is Daan van Rooijen en ik ben geboren in een klein dorpje tussen de Friese meren. Sinds ik me kan herinneren, vertelde mijn opa verhalen over hoe het landschap rondom ons huis ooit vol stond met dikke beuken, kronkelende slootjes en zingende vogels bij het ochtendgloren.
Maar toen ik acht jaar was, was het landschap kaalde grond uitgedroogd, vol barsten, en een stilte die haast pijnlijk was.
Op een zaterdagmiddag vroeg ik aan opa:
Waarom zijn er geen bomen meer?
Omdat ze allemaal gekapt zijn voor het hout, jongen. En de aarde raakt moe, zei hij zacht.
Maar wie plant ze dan terug?
Degene die meer geeft om de toekomst dan om zijn gemak van vandaag.
Die nacht lag ik wakker, het gevoel dat opa mij een opdracht had gegeven liet me niet los.
De volgende ochtend pakte ik een oude verfblik, vulde hem met aarde uit de tuin, vond wat eikels onder een grote eik naast het fietspad, en drukte ze met mijn kleine handen in de aarde. Ik wist niet of het iets zou worden, maar elke dag gaf ik ze water uit een jampot die ik vulde bij de dorpspomp. Toen ik het eerste groene sprietje door de aarde zag prikken, voelde ik een sprankje hoopiets moois wilde blijven.
Ik verzamelde meer zaden en begon te planten: eerst in onze eigen tuin, later op braakliggende grasvelden aan de rand van het dorp. De buren keken en lachten:
Daan, dat gaat je toch niks opleveren.
Maar de woorden van opa bleven in mijn hoofd.
Langzaam sloten andere kinderen zich bij me aan. Elke zaterdag trokken we met Grolsch-flessen, een zakje zaden en schepjes van blik de kant op. Soms verdroogden de jonge boompjes, soms bleven ze staan. We ontdekten dat je ze moest beschermen met hekken zodat de schapen eromheen niet alles opvraten, en we stapelden stenen rond de wortels om het vocht vast te houden.
Toen ik vijftien was, stonden er al ruim 3.000 jonge bomen langs het meer en op de terp. De verandering was niet te missen: vogels keerden terug, de grond hield regenwater weer beter vast, en de kleine slootjes begonnen opnieuw te stromen in het voorjaar.
Het nieuws haalde eerst het dorpskrantje, toen de Leeuwarder Courant. Op een dag kwam er iemand van een natuurstichting op bezoek.
Daan, wil je hulp om nog meer te planten?
Zonder aarzelen zei ik ja.
Met hun steun kregen we nieuwe schoppen, tuinhandschoenen, en vooral meer inheemse jonge boompjes. Er kwamen workshops waar we leerden over herstel van de natuur. Opanu oud en moesloeg zijn arm om me heen en zei:
Nu zie je echt de toekomst, jongen.
Nu ben ik 24 en studeer milieutechniek in Groningen. Op de plek waar vroeger alleen gras en modder was, groeit nu een jong bos met meer dan 25.000 bomen. Het is nog niet af, en zeker niet perfect, maar het is een toevluchtsoord geworden: voor spechten, eekhoorns, vossen, en vooral voor de mensen die hier graag onder het groene dak wandelen.
Als ik er loop, strijk ik met mijn hand over de schors en weet: deze bomen zullen er nog staan, ver nadat ik weg ben. En soms stel ik me voor dat er over vijftig jaar een meisje aan haar opa vraagt:
Wie heeft dit allemaal geplant?
En dat haar opa dan zegt:
Een jongen die de toekomst belangrijker vond dan zijn gemak van vandaag.

Rate article