De dag waarop ik als bruid naar de rechtbank ging om te scheiden.
Toen mijn man zei dat hij wilde scheiden, deed ik langzaam de kast open en haalde mijn trouwjurk tevoorschijn.
Wat ben je toch aan het doen? vroeg hij met onrust in zijn stem, zo fragiel als een appelbloesem in april.
Dit trek ik aan naar de rechtbank, antwoordde ik terwijl ik de jurk uitschudde witte stof dwarrelde, als mist over de velden bij Zaandam.
Ben je gek geworden? Je kunt toch niet als bruid naar een scheiding!
Waarom niet? Jij trekt je trouwpak aan. Als je me eeuwige liefde beloofde in dat pak, kun je net zo goed dat pak aantrekken om daar, onder neonlicht, eeuwige scheiding te zweren.
Ik zag hem zoeken naar Nederlandse nuchterheid, maar zelfs de kalmte van een Fries liet hem in de steek. Twintig minuten later dook hij mopperend door dozen met etiketten van de HEMA, op zoek naar zijn net pak.
Toen we bij het gerechtsgebouw in Haarlem waren, bevroor de beveiliging. Een vrouw riep Gefeliciteerd!, maar een ander gaf haar een por Stil nou! Ze gaan juist scheiden!
De rechter, die eruitzag als een opa uit een kinderboek, schoot bijna van zijn stoel toen wij binnenkwamen. Ik volledig in wit, sluier wapperend als een zeilboot op de Friese meren. Hij in een donkerblauw pak, glimmende schoenen, een oranje das schuin.
Mevrouw, zei de rechter, zijn glimlach achter een serieus gezicht verbergend, mag ik vragen waarom u gekleed bent als een bruid?
Omdat, edelachtbare, sprak ik, terwijl een zachte draai aan mijn accent door het stadhuis echode, deze man mij tot de dood ons scheidt beloofde, terwijl hij dit droeg. Maar de dood heeft ons nog niet gescheiden. Nu hij het contract wil verscheuren, moet hij mij recht aankijken. Net als toen hij me zijn leugen vertelde.
Mijn man keek me aan met ogen als de grachten, vol tranen.
Ik heb nooit tegen je gelogen. Die dag hield ik echt van je.
En nu? fluisterde ik, mijn stem brak als een tulpenbol in de vorst.
De rechter rochelde en keek op van zijn papieren.
Weet je wat? Ga een half uurtje wandelen buiten de rechtbank. Kom terug, nog steeds mooi uitgedost, en als jullie dan nog steeds willen scheiden, ga ik door. Maar ik denk… als je op deze manier je huwelijk eindigt, is er vast nog wat te zeggen.
Dus daar stonden we, in een kil gangpad vol echos van stemmen en oud linoleum. Hij streek mijn sluier recht, die wat scheef hing.
Je bent mooi, zei hij, net als die dag op het stadhuis in Utrecht.
En jij ziet er goed uit, gaf ik toe, ook al ben je een ezel.
We stonden daar, als twee acteurs op de verkeerde set. Bijna verwachtte ik dat de wanden in Delfts blauw veranderden of de traploper in kaas veranderde.
Misschien…, fluisterde hij aarzelend, moeten we in plaats van scheiden een stuk taart halen? Laten we terugdenken aan waarom we ooit ja zeiden.
Is ware liefde misschien zoiets dat je zelfs voor een scheiding je mooiste kleren aantrekt? Of zijn we gewoon twee Hollandse dramakoning en -koningin, die alles of niets willen, en nooit half werk doen?






