Een verkleumd, onooglijk poesje met een vreemd snoetje dook uit het niets op bij de ingang van de buurtsupermarkt in een afgelegen uithoek van Drenthe. Het diertje leek wel uit een scheur in de lucht gevallen, of door iemand daar wierp, als een verdwaald stukje droom. Dit piepkleine, pluizige Nederlands meisje, met een naam die alleen in dromen kan bestaan, waggelde onhandig rond het glazen schuifportaal, trok haar voorpootjes stijf onder zich en bibberde van de koude, natte mist die over de dijken rolde.
Haar zachte miauwww woei als een vergeten liedje langs de verbaasde klanten, maar niemand wilde zich buigen. Over haar snuitje lagen korsten als gebroken dakpannetjes, haar ogen waren smal, en rondom haar nek en oren waren plukjes vacht verdwenen, alsof een malende wind daar zijn werk had gedaan. Hoe ze daar zo kwam? Niemand had het echt gezien het leek alsof ze gewoon aan kwam drijven op een golf van de nacht.
De filiaalhoudster en haar collegas uit Rolde lieten het muizige meisje af en toe even naar binnen glippen, strooiden wat brokjes, en druppelden Advantage op haar rugje. Maar het leek weinig verschil te maken in dit verwrongen droomtafereel. Elke dag verscheen ze opnieuw, keurig volgens een onzichtbaar schema, en tuurde verwachtingsvol door de autoruit, alsof ze door die wolken van glas heen iemand zocht die haar bestaan niet zou vergeten.
De winter kroop naderbij met bevroren sloten en de belofte van nachten vol krakend ijs. Bij min vijf rilde ze al, haar dunne lijfje kon rammelt zeker niet tegen min vijftien, laat staan min twintig. Op een keer herinnerde de filiaalhoudster zich dat wij afgelopen zomer net zon gevondenling hadden opgehaald ze belde ons met haastige adem. Of we opnieuw konden helpen, voor het meisje met de stekelige staart.
Weer thuis aangekomen, waaiden we door de straten van Meppel naar de supermarkt. Daar draaide het poesje cirkels om onze benen, haar ogenschijnlijke laatste kans voelend als een warme sjaal. Ze balancerende op dr achterpootjes, krulde het staartje lief om onze handen alles om maar te laten zien: ze had liefde in haar droomhart.
Op de eerste fotos zag je meteen wat er scheelde: schurft, zonder twijfel. Gelukkig was het net op tijd opgemerkt; na twee behandelingen with Stronghold bloeide het meisje snel op. In de opvang van tante Lize uit Hoogeveen rolde ze zich op tot spinnende bal wol op de vensterbank, en zoog gelukzalig aan het kussen. De eerste dagen deed ze weinig anders dan slapen en eten, alsof ze droomde dat alles weer goed zou komen.
Haar naam kwam vanzelf aanwaaien in de nacht Piepkie, want ze leek wel een krom aardappeltje tussen de tulpenbollen: onhandig gevormd, absurd schattig en volkomen zichzelf. Maar het duurde niet lang voordat ze háár nieuwe vel kreeg; met elk beetje vacht dat teruggroeide, verscheen er een andere kat. Haar oortjes en poten waren wat dunbevolkt, maar de tijd zou daar een mooi Hollands bontje op zetten.
Piepkie stond al op de lijst bij de dierenarts voor sterilisatie en groeide razendsnel uit tot een blakende, glanzende en ontwapenend lieve droomkat, die haar eigen wonderlijke plekje in de Nederlandse nacht had gevonden.






