Acht lange jaren had mijn man mij verboden het huis van zijn ouders te bezoeken, een klein huisje ergens in een dorpje dat niemand ooit leek te noemen buiten hemzelf. Op een ochtendmisschien was het zomer of slechts een februarigrijze dag, in dromen is het moeilijk te zeggen besloot ik te gaan, stiekem, alsof ik door de mist van een andere realiteit reed. Ik voelde de sleutels, koud en vreemd zwaar in mijn hand, die al jaren ergens op de bodem van een la lagen, verloren tussen knopen en vergeelde fotos.
Toen ik de deur opendeed, was het alsof ik in een omlijst schilderij staptealles gebeurde geluidloos en alsof het buiten mijzelf om vloeide. Plots begreep ik waarom hij zoveel leugens had verzameld als pepermuntjes in een jassenzak.
Vanaf onze eerste dag samen was Rick, mijn echtgenoot, onverzettelijk: bezoek aan zijn moeder was verboden. Het huis wordt verbouwd, zei hij telkens, en in mijn hoofd schilderde ik beelden van bouwvakkers, stapels houten planken, schroeven die dansen in het stof. In het begin voelde ik zelfs een beetje trotswat een zorgzame zoon! Na verloop van tijd bleef de verbouwing een mysterie dat maar voortduurde. Ik kocht cadeautjes voor zijn moedermokken met molentjes, tulpenzaad, een wollen sjaalen Rick bracht ze zelf, zei hij.
Soms belde ik zijn moeder, mevrouw de Wit, en hoorde haar gulle lach door de telefoon. Maar opeens, alsof iemand de draad doorknipte, werd haar nummer stil. Elke poging tot meer uitleg eindigde in stilte. Genoeg om de naam van het dorp, Giethoorn, te laten vallen en ik zag Rick verstijven als een boom in een herfststorm. Dan schoof hij het gesprek vlotjes richting iets anders, altijd.
Tot de middag dat een advocaat met een zwaar, regenjasachtig postuur aan onze deur verscheen. Hij deelde mee dat mevrouw de Wit al meer dan een maand eerder gestorven was. Rick zat als een hoopje mens op onze bank, handen voor zijn gezicht. Zelf voelde ik slechts kilte diep in mijn borst. Daar begreep ik het: opnieuw een leugen, en deze was als een dichte mist.
Enkele dagen daarna zei Rick dat hij weg moest voor zaken, een week lang. Zodra zijn auto uit de straat verdween, was het alsof alles wat niet mocht, ineens wel mocht. Ik greep de sleutels uit de la, reden richting Giethoorn met mijn hart bonzend als het carillon van Oudekerk op nieuwjaarsmorgen. Alles voelde langer en vreemder, als een dromerig landschap.
Daar aangekomen, was het huis omgeven door oude knotwilgen die fluisterden in onverstaanbaar dialect. Ik duwde de hekje open en klom een paar treden op. De voordeur hield geen weerstand; hij zuchtte open, alsof hij me allang verwachtte.
De hal was schoon. Geen stof, geen verbouwingalleen orde, alsof iemand wél het leven op de rails had. Op het aanrecht dampten sliertjes thee uit een blauwe mok. Hallo? prevelde ik. Voetstappen dofden in de woonkamer. Daar stond niemand minder dan mevrouw de Wit. Mijn inmiddels doodverklaarde schoonmoeder. Springlevend, grijs, maar onverminderd aanwezig.
Jij? zei ze met een schaduw van verbazing. Wat doe jij hier? Mijn stem trilde: Maar u bent dood Ze liet zich langzaam zakken in haar stoel, alsof de jaren ineens op haar schouders drukten. Heeft Rick je dat verteld? vroeg ze, en ik knikte. De keuken werd onwerkelijk zwaar van zwijgen.
Dus toch Je bent gekomen, fluisterde ze. Even dacht ik dat ik zou bezwijken onder de vreemdheid van alles.
Ik trilde op mijn benen. Waarom zegt Rick dat u dood bent? Waarom mocht ik nooit komen?
Oude zucht. Hij wilde niet dat je de waarheid zou weten.
Mijn adem stokte. Welke waarheid?
Ze keek me aan, alsof ze een blok ijs aan het doormidden zagen was. Rick komt niet voor mij alleen naar Giethoorn. Mijn rug kreeg koude rillingen. Voor wie dan? Zwijgend wenkte ze me. We liepen een gang door met tapijten bedrukt met molentjes. Achterin opende ze een deur naar een kleine kamer. Twee bedden, speelgoed verspreid, tekeningen op klompvormig papier aan de muur.
Op een bed zat een jongetje van zes, spelend met een miniatuurfietsje. Bij het raam kleurde een meisje met rode vlechten in een schrift. Ze keek opdezelfde ogen als Rick. Oma, wie is dat? vroeg ze.
Pas toen begreep ik: het waren Ricks kinderen. Mijn benen trilden.
En toen hoorde ik onverwacht het slot van de voordeurhard, zwaar, als het neerhalen van de brug bij een dijkdoorbraak.
Mevrouw de Wit sloot haar ogeneen rimpel meer in haar gezicht. De kinderen staakten hun spel. Mama? riep een stem uit het verleden. Rick was thuis. Zijn gezicht verbleekte, langzaam, als een vaas Delfts blauw waarin het blauwe glazuur oplost.
Eerst keek hij naar mij, toen naar zijn moeder, en toen naar zijn kindereneen geheime wereld, waar ik nooit aan had deelgenomen. De kleine jongen kroop meteen naar Rick toe en omhelsde hem. Dat betekende iets. Dit was niet nieuw. Dit was hun normale leven, en ik was de indringer.
Mevrouw de Wit zei zacht: Vertel het nu maar. Rick zuchtte en stuurde de kinderen wegde kamer werd stil.
Ze zijn van mij, zei hij. Ik haalde adem, maar die stokte halverwege.
Hun moeder, Marleen, stierf acht jaar geleden. Zijn stem was hol. Ik leerde jou kennen daarna, Anna. (Anna, want in dromen heet iedereen anders.) Ik werd bang dat je me zou verlaten als je van mijn kinderen wist.
Al die jaren leugens verzameld als dropjes in een glas op de schouw. Mijn pijn kwam als koude regen uit een Hollands wolkendek.
En de advocaat? vroeg ik wrang.
Rick schudde zijn hoofd. Alleen om tijd te winnen.
Mevrouw de Wit mengde zich. Haar stem was schor van moeheid en oud verdriet. Hij wilde al jaren alles vertellen.
En toen, met loodzware stappen, wees ze naar het oude wandkastje in de woonkamer. Fotolijsten vol vergeten feestdagen en gezichtssilhouetten. Op één foto: Rick, de kinderen, mevrouw de Wit, en… een glimlachende vrouw.
Mijn adem stokte.
Het was Maaike. Maaike, mijn beste vriendin, de peettante van ons huwelijk. Opeens was alles een tulpenveld vol spiegels en molens die draaiden tegen de wind in. Want in dromen blijkt familie soms vreemder dan de diepste mist over de Friese meren.
En ik spuugde die nacht, bij het ontwaken, de namen van Rick, Marleen, Maaike. Maar het was Giethoorn dat nog het langst in mijn oren bleef suizen, op het ritme van een droom die zich niet in guldens, maar in waarheden liet betalen.






