De schoonfamilie van mijn geliefde is op een vreemde manier eigenaardig. In mijn droom beweeg ik me door een mistige versie van Amsterdam, waar ze mij altijd als één van hen hebben behandeld en zich nooit bemoeiden met onze gezinszaken. Dat waardeer ik enorm, als door een onzichtbare muur beschermd tegen nieuwsgierige vragen. Maar er is ook iets ongemakkelijks: ze geloven zo sterk in het idee van zelfstandigheid, alsof ieder mens een molen is die zijn eigen wind vangt, terwijl ze in werkelijkheid rijk zijn en een aanzienlijke erfenis hebben ontvangen van hun familie in Haarlem.
Ik begrijp de kracht van zelfredzaamheid, zoals je jezelf door een regenstorm fietst, en toch knaagt er iets aan me. Hoe kunnen ze geen hulp aanbieden, terwijl ze twee prachtige appartementen in Rotterdam bezitten, die bij toeval leegstaan na een surrealistische renovatie? Wanneer ik voorzichtig hint dat het fijn zou zijn om daar te wonen, lijken ze mijn woorden te laten wegdwarrelen, als vroege lenteblaadjes.
Zo reizen wij als gezin door de droomstad, van het ene tijdelijke huis naar het andere, als reizende schilderijen uit het Rijksmuseum. Mijn eigen familie woont ergens tussen de tulpenvelden van Friesland, waar het geld als regen verdampt. Sparen voor een eigen appartement lijkt zo ver weg; de euros die we verdienen vliegen direct naar de huurbaas, met nauwelijks iets over voor een stroopwafel of een middag in het Vondelpark.
In een poging mijn situatie over te brengen aan mijn schoonmoeder, die steeds meer op een schim lijkt die door een oude Haagse woning dwaalt, hint ik op de instabiliteit van onze kinderen hoe zij als drijvende kaasboten hun plek nergens vinden. Maar haar antwoord is koud en stug als een winter in Groningen. Ze zegt dat verantwoordelijke mensen hun huis voor alles laten gaan, en dat wij met jonge kinderen te vroeg zijn begonnen. Haar woorden snijden door de droom als een scherpe windstorm.
Mijn gevoelens zijn als een schilderij van Van Gogh: verdeeld tussen de wens om de relatie niet te beschadigen en het besef dat ze hun waardevolle bezit belangrijker lijken te vinden dan de vreugde van hun kleinkinderen. Soms zorgen ze even voor de kinderen, als kabouters die sporadisch verschijnen, maar ik weet niet hoe ik in de toekomst een gezonde band kan behouden. Comfort lijkt hun enige kompas, zelfs wanneer dat ten koste van hun zoon en ons gezin gaat.
Toch, in een moment van helderheid, besef ik dat ze ouder worden. Misschien komt er een tijd dat ze hulp nodig hebben, en dan zullen ze onze uitdagingen erkennen, zoals de zon die eindelijk doorbreekt boven de grachten. Tot die tijd blijf ik in deze droomlavendel gevangen, zoekend naar een manier om de relatie te behouden zonder mijn teleurstelling te laten groeien als onkruid tussen de stenen van onze band.






