Robbert genoot van zijn vrije dag, tot ineens de bel van zijn Amsterdamse grachtenpand begon te rinkelen. Wie komt er nou zo vroeg op de stoep staan? Toen hij de deur opendeed, stond er een onbekende vrouw voor hem. Ze knipperde zenuwachtig met haar wimpers en veegde snel een traan van haar wang.
Naar wie bent u op zoek? vroeg hij, terwijl hij nog half slaperig was.
Zoon, herken je je moeder niet?
Mijn moeder? Kom binnen… eh… bracht hij met moeite uit.
Hij herinnerde zich donders goed de dag dat ze hem afpakten. Hij had jaren uitgekeken naar het moment dat ze hem uit het weeshuis in Utrecht zou halen en hem mee naar huis zou nemen. Maar dat gebeurde natuurlijk nooit. Uiteindelijk verdween de pijn, hij eindigde de havo, ging naar de universiteit in Rotterdam en startte zijn eigen bedrijfje. Als iemand vroeg waar zijn ouders waren, zei hij maar dat ze overleden waren. Hij leerde op zichzelf te vertrouwen, werd een echte zelfredzame Nederlander en bouwde een mooi leven op. Niemand hoefde te weten dat hij uit De Kindervreugd kwam.
Saar, zijn moeder, herinnerde zich nauwelijks wanneer de jeugdzorg haar de voogdij afnam. Ze dronk in haar jonge jaren meer jenever dan water, en haar hersens stonden steevast op pauze als ze weer eens lam was. Loopt ze ook nog een tijd het huis van bewaring in Den Haag binnen, waar ze vooral nadacht over Robbert. Nee, liefde was het niet, medelijden misschien wel.
Toen haar tweede zoon werd geboren, begon haar moederhart plots wel te kloppen (of, laten we eerlijk zijn, te bonken). Voor haar jongste was ze bereid om door het vuur te gaan als ze al niet aan haar oudste dacht, dan draaide alles om de jongste: alles voor zijn geluk, ook het onmogelijke.
De jongste groeide op als een rasechte rebel, net als moeder. Op zijn vijftiende kreeg hij zijn eerste voorwaardelijke straf. Nog even, en die tweede volgt vanzelf, en dan mag hij de gevangenis van Rotterdam van binnen bekijken. En nu probeert Saar haar zoon te behoeden voor de gevangenis, want ze weet maar al te goed dat het leven achter tralies meer bitter dan zoet is. Zodra ze hoorde dat Robbert succesvol was, ging ze meteen Googlen (of haar vriendin Annie bellen, want die weet alles in Amsterdam).
En nu zit ze te huilen aan Robberts eettafel. Ze vertelt hoe ze hem zocht, dat ze een kaarsje voor hem opstak in de kerk, en elke dag hoopte op een hereniging. Robbert geloofde haar wel, maar zijn Brabantse nuchterheid zei hem voorzichtig te blijven. Toch besloot hij haar een flatje in Haarlem te huren, gaf haar voor het eerst euros en zei dat ze op hulp kon rekenen. Maar hij hield haar scherp in de gaten, als een ware detective, om te zien of haar bedoelingen oprecht waren.
Voor het nieuwe jaar keerde Robbert terug naar het weeshuis in Utrecht. Hij bracht er geregeld speelgoed en stroopwafels langs. Zijn oude verzorgster kwam op hem af.
Robbert, je moeder zocht je adres. Heeft ze je gevonden?
Ja, dankjewel dat je haar geholpen hebt.
Wees voorzichtig, ze wil alleen haar jongste zoon redden. Saar wil enkel geld vertrouw haar niet! Ze heeft je nooit geliefd, nooit.
Heb ik een broer?
Ja, vraag maar zelf.
Robbert voelde een knoop in zijn keel en kreeg het er benauwd van. Een tweede verraad van zijn moeder, was dat mogelijk? Maar hij hield zijn emoties binnenboord, ging op haar af en confronteerde haar. Saar was ineens niks meer gewend en begon te wiebelen. Ze wilde haar jongste zoon niet noemen, bang dat Robbert geen zin zou hebben om een criminele broer te helpen.
Een paar dagen later werd Robbert aangevallen op een regenachtige Straat in Amsterdam. Zo bont geslagen dat zelfs de politie verbaasd was. De daders bekenden: zij waren ingehuurd door Robberts moeder. Saar wilde Robbert uit de weg ruimen, het erfenisje binnenhalen, zodat haar jongste zoon heerlijk zonder zorgen kon leven.
Tijdens de rechtszaak toonde Saar spijt en smeekte Robbert om vergiffenis, maar hij had zijn conclusie al getrokken.
Ik heb al eerder zonder moeder geleefd, en dat kan ik nog steeds! fluisterde hij, terwijl een traan over zijn Hollandse wang rolde.





