Alex werd als nakomertje geboren in een typisch Nederlands gezin. Zijn ouders hielden enorm veel van hem en hij groeide op met stroopwafels, Sinterklaas en een flinke portie nuchterheid. Maar zoals het leven nu eenmaal gaat, kregen ze het flink te verduren: zijn moeder overleed toen Alex twintig was, en een tijd later volgde zijn vader haar richting hemel. Omdat hij verplicht in militaire dienst zat, kon Alex niet bij de uitvaarten zijnen ja hoor, zo droom je van spijkerbroeken en bitterballen, en zo zit je met herinneringen als enige comfort.
Na diensttijd keerde Alex terug naar zijn ouderlijk huis in Amersfoort, alleen om daar de hele familie van zijn tante aardappels te zien schillen in zijn oude kamer. Niet bepaald welkomen Nederlandser dan dat wordt het haast niet. Hij vertrok zonder om te kijken en vond onderdak bij een studievriend in Utrecht, maar ach, de sfeer was daar zo kil dat zelfs de thermostaat het koud kreeg. Zonder euros en zonder plannen besloot Alex te liften naar Rotterdam, op zoek naar werk én misschien een portie geluk.
Via via kreeg hij een baantje op een enorme bouwplaats aan de rand van de stad: beloofd werd een mooi maandsalaris, maaltijden (lees: eindeloze broodjes kaas) en een bed in een bouwkeet. De dagen waren lang, de koffie slap, maar hij voelde zich zowaar gelukkigtot de aannemer er vandoor ging en de hele ploeg in de steek liet, zonder één enkele cent. Anderen konden dankzij familie en vrienden terug naar huis, maar Alex bleef achter zonder papieren en zonder pannenkoek in het vooruitzicht.
Daar stond hij dan, overgeleverd aan de goedheid van de afvalcontainers en overdekte fietsenstallingen rond Rotterdam Centraal. Zijn uiterlijk gleed langzaam af naar het type waterfiets zonder banden en werk zoeken was kansloos. Toen, op een dag waarop zelfs de regen zijn best deed hem te mijden, ontmoette Alex een vrouw: Fenna, alles behalve het plaatje van de traditionele schoonheid, maar met een gouden hart. Ze kwam telkens langs, wist precies hoe je een broodje kroket kon delen en maakte een praatje of vijf.
Van ellende kreeg Alex longontsteking en belandde in het ziekenhuis. De verpleging waste hem, gaf hem schone kleren en probeerde zijn Hollandse kapsel weer toonbaar te maken. Hoogtepunt van de dag: de bezoekjes van Fenna, met haar grappen over spruitjes en haar onmiskenbare Terschellinger accent.
Toen hij eenmaal naar huis mocht, stond Fenna hem breed glimlachend op te wachten bij de uitgang met nieuwe schoenen, een vers T-shirt en de Hollandse gewoonte hem stevig te omhelzen. Geëmotioneerd en onder de indruk van haar betrokkenheid, besloot Alex met haar mee naar huis te gaan. Haar broer Jeroen regelde nieuwe documenten via een kennis op het gemeentehuis en ineens lag er werk op hem te wachten als kaasverkoper op de markt.
Tja, en tegen de tijd dat de eerste bloemen bloeiden in de Keukenhof, waren Alex en Fenna smoorverliefd. Ze trouwden in een piepklein zaaltje in Gouda, compleet met haringhappen en appeltaart, en vonden samen het gelukondanks alle wind en regen die ze hadden moeten trotseren.






