Liselot gleed als een schaduw door de gangen van het ziekenhuis, haar lijf voelde ineens vreemd leeg na de stormachtige bevalling. De dokters fluisterden haar iets toe over onherroepelijkheid: nooit meer kon haar buik nog een kind laten groeien. Naar huis gaan was als in een smeltend schilderij stappen; alles gleed langs haar heen. Rogier, haar man, bewoog zich sindsdien door hun huis als een opgezette uil, met koude ogen die nooit meer haar blik vonden. Zes maanden verstreken, geruisloos, als regen langs de ruiten van Groningen. In die tijd had Rogier het heimelijk druk: zijn geheime vriendin uit Leeuwarden droeg nu twéé vruchtjes van hem onder haar hart.
Hij aarzelde niet: op een mistige donderdagochtend vertrok Rogier, zijn blauwe regenjas achterlatend, Liselot alleen bij hun dochtertje, Fenna. Een bruingele poes met de naam Poesbeest was haar enige stille getuige. Liselot sneed het brood voor twee, maar at altijd voor één.
Fenna groeide op, haar hoofd al van jongs af aan vol met vragen en dromen. Ze trok haar wollen muts diep over haar oren, propte haar poppen tot een rondje op de vloer en gaf ze les over wolkenluchten, windmolens en de smaak van stroopwafels. De straat waar ze woonden, rook naar natte tegels en oude fietsen. Liselot keek eindeloos naar haar dochter en dronk haar klein geluk als verse karnemelk.
Op school was Fenna populair, haar stem helder als de klokken van de Westerkerk. Ze speelde de rol van aanvoerder zonder echte reden, en haar vriendinnen volgden vanzelf. Later was er Daniël, een jongen met warrig haar, altijd op grote, krakende laarzen, en met een geheimzinnig glimlachje. Hun avonden vulden zich met het bezoeken van rare kunstevenementen, muziekfestivals in Amsterdam-Noord, of nachtelijke fietstochten door drijfnatte polderweilanden. Fenna trommelde, Daniël speelde gitaar; samen vormden ze de kern van een band met een naam die je alleen kunt dromen: Zout op de Wonden. De optredens brachten steeds meer publiek en de dagen vloeiden samen in eindeloze zorgeloosheid.
Ondertussen zat Liselot aan de eettafel te turen over haar kopje thee, terwijl de regen droop uit de dakgoot, en haar verlangen naar kleinkinderen dikker en stroperiger werd dan Haagse hopjes. Fenna was intussen negenentwintig.
Op een avond, terwijl windvlagen de ramen deden rammelen, sprak Liselot:
Meisje, ik denk dat het tijd wordt dat je eens nadenkt over kinderen, niet?
Fenna zuchtte verwonderd, haar handen om een mok warme chocomel:
Mam, wil je dat ik word zoals tante Nel? Vier kinderen, haar handen vol aardappelschillen, en alle dagen lijken op elkaar: de geur van appeltaart en wasmiddel? Is dat nou leven? Ze komt nauwelijks nog buiten.
Maar waarom zou je zoals tante Nel moeten zijn? Eén kindje is ook genoeg, Fenna.
Mammie Luister, Daniël en ik, we willen geen kinderen. En als dat ooit anders wordt, dan adopteren we misschien wel een kindje uit een Amsterdams weeshuis.
Je eigen bloed voelt toch anders, meisje. Denk er nog eens aan
Laten we het er nu niet meer over hebben, mam.
Het leek alsof Fenna iets op haar lippen had liggen dat zwaarder woog dan de stilte in de kamer. Die avond besloot ze, terwijl de avondlucht trilde van dromen en herinneringen, haar moeder eindelijk de waarheid te vertellen. Misschien zou de tijd de rest doen: in dromen kan alles immers nog veranderen.





