Er was eens een kerel die bij ons op kantoor werkte. Zijn naam was Sjoerd van Dijk. Sjoerd was het hoofd van één van de afdelingen in ons Amsterdamse kantoor en hoewel ik niet kan zeggen dat hij slecht verdiende, was hij precies zo. Hij reed in een vlotte Volvo, droeg alleen kleding van Nederlandse designwinkels en zag er altijd gelikt uit, alsof hij net uit een reclame kwam stappen. Maar Sjoerd had een groot minpunt: hij was gierig tot op het bot. En vooral als het om eten ging.
Tijdens elke lunchpauze dwaalde hij als een zonderlinge reiger langzaam langs de bureaus en tafeltjes waar je broodjes kaas of kroketten rook, plofte dan onbedoeld neer, en schoof spontaan wat hapjes naar zich toe, alsof hij in het recht was uitgenodigd. Dan floot hij met zijn scheve glimlach: Hé, wat ruikt het hier Hollands lekker! of Oh joh, bitterballen! Mag ik er eentje proberen? gevolgd door zijn beroemde zin: Nou, wat hebben we hier dan? En zonder gêne pakte hij direct een handje vol.
Voor verjaardagen gooide Sjoerd nooit één euro in de pot voor een cadeau, maar was steevast als eerste aan tafel als er taart werd aangesneden, proostte luid mee en deed of hij het feest georganiseerd had. Iedereen wist ook dat Sjoerd altijd zijn telefoon aan het kantoor stopcontact hing, want dan kon hij thuis weer wat stroom uitsparen. En naar het toilet? Dat deed hij nog even snel op kantoor, zodat die extra doorspoelbeurt scheelde op zijn waterrekening. Al met al, Sjoerd was zo gierig als een kneuter, maar zelf noemde hij het altijd huizenhoge zuinigheid.
Op het laatste bedrijfsfeest, waar de oranjetompoucen over tafel vlogen, had Sjoerd iets te veel jenever op. Terwijl de grachtenlichtjes in zijn ogen twinkelden, werd hem gevraagd of hij nog wilde trouwen. Sjoerd proestte:
Waarom zou ik een vrouw willen? Die gaat alleen maar geld van me vragen voor boodschappen en jurkjes. En als er dan kinderen komen, ben ik meteen failliet! Nee hoor, ik doe het prima zo.
Zijn collega Lotte, met een mond vol stroopwafel, reageerde:
Je leeft inderdaad goed, Sjoerd, maar vooral op onze rekening.
Sjoerd werd rood als een tomaat, stond op en schreeuwde:
Ja, dat klopt, maar ik leef slim! Ik heb tenminste een mooie auto, een strak appartement. Jullie verspillen alles aan ham-kaascroissants en haring!
Na dit schouwspel besloot het hele team als één grote Noordzee zich van hem af te keren. Telefonen werden niet meer beantwoord, uitnodigingen verdwenen in de prullenbak. Sjoerd, gevangen in zijn eigen gierigheid, vertrok uiteindelijk naar een ander kantoor misschien een plek waar de gevulde koeken gratis zijn, maar niemand zijn naam meer noemt als er taart op tafel komt.






