Mijn ouders hebben mij op mijn kop gegeven en geëist dat ik eten steel uit cafés om het thuis te brengen, met de boodschap dat ik het gezin moet voeden en niet zo’n domme, naïeve Nederlander mag zijn.

Het leek alsof ik zweefde in een mistige polder, met zware klompen aan mijn voeten. Ineens werd ik overladen met de verantwoordelijkheid als oudste dochter in ons uitgestrekte gezinik heette Marit van der Valk, een naam die zweefde als riet in de wind. Al het werk thuis leek zich te vermenigvuldigen, alsof de stoofpotten en wasmachines zichzelf dansten door de keuken, en mijn jongere broertjes en zusjes, Laurens en Femke, klonterden om mijn benen als vogeltjes op een brug in Amsterdam.

Deze rol was niet door mij gekozen; het was alsof een eeuwenoude traditie mij omwikkelde, net als een dikke wollen sjaal. Op school in Haarlem en op het plein werd ik constant genegeerd en geplaagd omdat ik nooit zonder kinderen was. Soms schreeuwde ik naar de hemel boven het IJ: Ik zal nooit kinderen willen! Mijn vader, een norse man met handen als bakstenen, reageerde op mijn ontboezemingen met harde slagen en bitse woorden. Hij zei steevast, Ik moet je een lesje leren, Marit, terwijl hij in zijn tuin tulpen kneep.

Na de negende klas werd ik hopeloos richting een opleiding voor kok gestuurd, want een beroep moest je hebben, vond men. Ik was als een haring in een vat, onwetend waarom alles zo moest. Na het diploma vond ik werk in een cafeetje aan het Spui. Mijn ouders grimmig, lieten mij weten dat ik eten moest meenemen voor thuis, dat ik geen domme gans mocht zijn. Mijn loon werd door hen gecontroleerd; mijn leven leek opgesloten in een houten molen.

Toen, op een dag die zich ontvouwde als een schilderij van Mondriaan, kocht ik een treinkaartje naar Rotterdam. Ik voelde de definitieve breuk, het onomkeerbare. In de stad vond ik gauw een baantje als afwasser en huurde een kamer bij een vriendelijke weduwnaar, mevrouw Berkhout, die me een eerlijke huur vroeg en samen met mij erwtensoep at bij zonsondergang. We hielden alles netjes en zorgden voor elkaar. De relatie groeide als een kastanje in de lente, warm en vertrouwd.

Na een tijdje stelde ze mij voor aan een jongeman, Jasper de Witt, en we besloten samen een scheepje te bouwente trouwen dus. Zijn ouders stemden toe, knikkend zoals oude windmolens. Een jaar later dwarrelde er een dochter, Silke, in mijn leven, daarna een zoon, Sjoerd; beiden leken soms te zweven door het huis op houten schoentjes.

Temidden van deze spiraal begon ik mijn ouders te missen als de geur van stroopwafels bij thuiskomst. Samen met Jasper pakte ik cadeaus in, alsof we Sinterklaas speelden, en reisden terug naar het ouderlijk huis in Delft. Maar daar knalde de deur dicht voor mijn neus, zonder oog voor Jasper en de kinderen. De cadeaus hingen als verloren ballonnen aan mijn handen. Gekwetst nam ik alles mee terug, en zweerde in het licht van het herfstzonnetje dat ik hun huis nooit meer zou betreden.

Rate article