Bang om je te verliezen
Hier woon ik dus, zei Lennart met een warme glimlach terwijl hij de deur voor de jonge vrouw opende.
Kom binnen, ik ben zo bij je.
Fenna stapte onwennig over de drempel, haar groene ogen schoten zenuwachtig door de hal.
Ze maakte haar schoenen niet los.
Er lag iets zwaars in de lucht
Op het moment dat Lennart weer in de gang verscheen, veranderde de blik in Fennas gezicht op slag in pure paniek.
Haar handen begonnen te trillen, haar ogen werden groot, en zonder één woord te zeggen stormde ze de woning uit.
Fenna, wat doe je?!
Lennart keek verbouwereerd naar de deur, toen naar zijn herder, Maartje, die nieuwsgierig was komen aanlopen Nooit had hij verwacht dat zon mooie avond zo abrupt zou eindigen.
Gewoon weggerend zonder iets te zeggen? vroeg Victor vol ongeloof toen Lennart hem het verhaal vertelde in hun stamcafé in Utrecht.
Niet één woord.
Ze keek echt alsof ze een spook had gezien, zuchtte Lennart terwijl hij peinzend aan zijn glas Heineken nipte.
Daarna zette hij het gedecideerd weer neer.
Wat is er misgegaan?
Wat heeft haar zo de stuipen op het lijf gejaagd?
Talloze redenen mogelijk.
Waarom vraag je haar niet gewoon wat er aan de hand is?
Had ik graag gedaan, maar sinds gisteravond neemt ze haar mobiel niet meer op.
Ik ben radeloos.
Ben je bij haar thuis geweest?
Nee.
Ik liep altijd alleen maar mee tot aan haar portiek.
Geen idee in welk appartement ze werkelijk woont.
Victor haalde zijn schouders op.
Rare situatie, man.
Heel raar.
Het begin was zo goed, zo zorgeloos, en nu dit…
Misschien is het nog niet voorbij.
Niet bij de pakken neerzitten.
Ze lijkt wel van gedachten veranderd te zijn.
Ik zie geen andere verklaring.
Maandag kunnen jullie praten op kantoor.
Dan hoor je het vanzelf
Lennart had Fenna voor het eerst ontmoet in een stampvolle tram.
Niemand stond op voor haar, maar hij wel.
De rest van de rit stond hij naast haar, nerveus, vrolijk en met een brede glimlach op zijn gezicht.
Zij had zowat de mooiste lach die hij ooit had gezien.
Natuurlijk had hij zich voorgenomen haar aan te spreken, maar ja het was ochtendspits en hij moest door naar zijn werk aan de Neude.
En bovendien: wie spreekt er nou iemand aan in een volle tram?
En wat moest hij dan zeggen?
Hoi, ik ben Lennart.
Hier is mn nummer, bel je me vanavond? Klinkt niet, dacht hij.
Dus toen de tram bij het Centraal Station stopte, stapte hij meteen uit zonder zich nog om te draaien.
Hij was er zeker van dat het toeval was, die bijna magische ontmoeting, en dat hij haar nooit meer zou zien.
Maar Fenna was toch niet uit zijn hoofd te krijgen.
Zelfs toen hij in zijn kantoor achter zijn laptop ploeterde, zag hij telkens weer haar ogen op het beeldscherm, haar glimlach in zijn mailbox.
Het was bijna beangstigend.
En toen kwam zijn baas, Bas van Dijk, zijn kamer binnenlopen.
Naast hem stond Fenna.
Dames en heren: even voorstellen, onze nieuwe collega.
Lennart dacht nog even dat hij hallucineerde.
Fenna, stelde ze zich zachtjes voor, haar glimlach net zo betoverend als in de tram.
Lennart, aangenaam.
Dat was alles wat hij uitbracht, totaal overdonderd.
Zijn hart sloeg op hol.
Bij elke werkdag zag hij haar weer, en telkens voelde hij iets groeien, iets wat hij lang niet had gekend.
Hij wilde met haar praten, lachen, de mooiste dingen doen om haar aandacht te krijgen.
Diezelfde avond sprak Lennart af met Victor op het Griftpark.
Met hun honden, zoals altijd.
Terwijl Maartje en Viktors retriever speelden, vertelde Lennart over Fenna.
Jij bent verliefd, makker, zei Victor, zonder twijfel.
Denk je?
Weet ik zeker!
Toen ik Tessa ontmoette wist ik het ook meteen.
Soms weet je het gewoon.
Precies.
En altijd alleen bij haar.
Kom op.
Nodig haar uit!
Naar een café of naar de bioscoop.
Denk je dat ze ja zegt?
Wie niet waagt, die niet wint.
En als jij niet durft, pakt een ander haar zo voor je neus weg.
Misschien heeft ze al iemand, straks ga ik af als een gieter
Dan weet je dat ook weer.
Maar het zou gek zijn om het niet te proberen.
Lennart durfde.
Na het werk, bij de bushalte, liep hij op haar af, bloosde meteen, maar wist zichzelf te herpakken: Heb je vanavond zin om mee te gaan?
Iets drinken of misschien een filmpje kijken?
Fenna lachte.
Ja, graag.
Ze dronken koffie in een knus café aan de Oudegracht, slenterden samen urenlang door de lege straten en Lennart bracht haar tot voor haar flat.
Het was perfecter geweest dan hij had kunnen dromen.
Thuis aangekomen maakte hij gauw nog een ronde met Maartje.
Daarna lag hij tot diep in de nacht te staren naar het plafond, en fantaseerde over samenwonen, kinderen, samen wandelen in de bossen van de Veluwe in het weekend.
Drie maanden gingen om.
De mooiste van zijn leven.
Ze dineerden in sfeervolle restaurantjes, deelden popcorn bij romantische films, kusten in de regen op het Janskerkhof zonder zich om omstanders te bekommeren.
Fenna was bijzonder.
Lief, geestig, nuchter en echt.
Lennart dankte de hemel dat ze op zijn pad was gekomen.
Het enige minpuntje: na elke date moest Lennart nog altijd de hond uitlaten.
Hij woonde alleen, dus hij had geen keus.
Soms stelde hij voor om samen met Fenna en Maartje te wandelen.
Maar Fenna reageerde dan afstandelijk, werd stil en sloeg het uiteindelijk af.
Laten we liever met zn tweeën uitgaan.
Misschien willen we nog een café in, of een filmpje pakken.
En met een hond erbij
Je hebt gelijk, ging Lennart gauw akkoord.
Toen vroeg hij haar ten huwelijk en stelde voor te gaan samenwonen.
Ze zei ja op het huwelijk, maar op verhuizen reageerde ze ongemakkelijk.
Fenna, ik snap dat onze bruiloft pas volgend jaar is, maar we kunnen nu al samen zijn.
Ik voel me veel rustiger als je bij me bent.
Ik heb mijn huisbaas beloofd tot het eind van het jaar te blijven, anders zit zij in de problemen.
Ik betaal de resterende maanden wel voor je hoor.
Maar laten we nu naar mijn huis; je moet Maartje nog een keer echt leren kennen.
Je zal haar leuk vinden.
Fenna werd stil.
Toch ging ze mee.
Ze hield van Lennart.
Dat wist ze zeker.
Dus probeerde ze haar angst te overwinnen
Hier woon ik dus, zei hij nog een keer, met dezelfde glimlach.
Kom binnen.
Nerveus stak Fenna haar hoofd om de deur, nam de gang in zich op, en hield haar jas stevig dicht.
Er was iets wat haar dwarszat.
Toen Lennart even later terugkwam, bevroren Fennas ogen van angst.
Haar handen trilden.
Zonder iets te zeggen stormde ze de trap af en verdween buiten door de deur.
Fenna, waar ga je naartoe?!
Lennart stond perplex in zijn stille hal, Maartje naast zich, het avondlicht door de ramen.
Alles wat hij had gehoopt voor deze avond, viel in duigen.
Hij probeerde haar te bellen.
Geen gehoor.
Die avond nog sprak hij opnieuw af met Victor, want hij had iemand nodig die hem kon adviseren.
Na hun gesprek besloot Lennart dat hij tot maandag zou wachten.
Op kantoor moest ze wel verschijnen
Op maandagochtend hield hij elke tram in de gaten die bij de haltes aan de Biltstraat stopten.
Maar Fenna was nergens te bekennen.
Wat als haar iets is overkomen?!
Hij stond op het punt Bas te bellen om zich ziek te melden en haar te gaan zoeken toen hij Fenna op straat zag lopen.
Haar haar los, tranen op haar wangen, ogen als gebroken glas.
Fenna, wacht!
Ze stopte abrupt en draaide zich met pijnlijke trekken om.
Wat is er aan de hand?
Waarom rende je weg, waarom reageer je niet op mijn oproepen?
Ik word gek van zorgen.
Sorry, Lennart
Wat is er?
We moeten straks beginnen.
Kunnen we vanavond praten?
Wil je niet meer met me trouwen je wilt niet samen wonen?
Twee dagen weet ik al van niks.
Alsjeblieft, vertel het me nu.
Waarom ben je weggegaan?
Sorry Lennart, ik kan het niet, fluisterde Fenna en de tranen stroomden weer.
Maar waarom?
Heb ik iets fout gedaan?
Nee
Wat dan?
Fenna veegde haar gezicht droog en keek hem schuchter aan.
Ik ben bang
Waarvoor?!
Voor honden.
Lennart staarde haar aan.
Voor Maartje?
Ik heb je gezegd hoe lief ze is, dat ze nog nooit iemand pijn heeft gedaan.
Inwendig dacht hij: dus toch, ik had het kunnen weten.
Je snapt het niet.
Niet alleen jouw hond, maar álle honden.
Toen ik zes was werd ik aangevallen door een grote herder, de buurman had hem opgehitst.
Sindsdien ben ik als de dood
Dat heb je nooit verteld
Omdat het al pijn doet als ik eraan denk.
Mijn moeder was even weg, de eigenaar was dronken.
Die hond viel me aan op de speeltuinbank.
Ik ben er met de schrik vanaf gekomen, maar sindsdien
Fenna
Lennart, straks zijn we te laat.
Dit gesprek moet nu stoppen.
Laat ze maar wachten.
Ik begrijp je angst, maar er lopen overal honden in Nederland.
Hoe ga je daarmee om?
Buiten is anders.
Op straat kan ik uitwijken, om mensen heen lopen.
Maar samenwonen met zon grote hond?
Nachtmerries krijg ik ervan, echt.
Het ligt niet aan jou of Maartje.
Het is mijn probleem.
Maar dat is toch niet redelijk?
Ik heb het geprobeerd, Lennart.
Daarom wilde ik het proberen bij jou thuis maar ik kreeg paniekaanvallen.
Mijn lijf blokkeert gewoon.
Sorry.
En nu?
Wat moet ik doen snikte Lennart later die dag tegen Victor.
We houden van elkaar, maar samenleven lukt zo niet.
Wat doe je eraan?
En Maartje dan, je hond?
Ga je haar wegdoen? vroeg Victor scherp.
Ben je gek!
Nooit!
Maartje is mn alles.
Maar Fenna ook
Dan moet je vechten, vriend.
Angst is geen allergie, het kan veranderen.
Je moet haar helpen.
Misschien naar een therapeut?
Heeft ze al geprobeerd.
Geen resultaat.
Fenna zegt dat ze er aan wil werken, maar ze kan niets beloven.
Maar ze probeert het.
Dat is al zoveel meer dan een ultimatum.
Help haar erbij.
Jullie kunnen het samen.
Hoe dan?
Niet meer bij je thuis met Maartje, voorlopig.
Maar samen buiten is minder eng.
Maak boswandelingen met zn drietjes, op die manier.
Laat haar zien dat Maartje écht niets doet.
Lennart zag een sprankje hoop.
Zou dat werken?
Kan niet misgaan.
Laat haar ervaren dat Maartje niet gevaarlijk is.
En dus stond Lennart op zaterdagochtend in een stoer geleende Volvo voor Fennas huis.
Sinds wanneer heb je een auto? vroeg Fenna verbaasd.
Van Victor geleend.
Ga je mee met Maartje, het bos in?
Fenna werd bleek.
En Maartje zit?
Achterin, veilig in de hondenbak.
Oké, slikte Fenna.
Maar als het niet gaat, wil ik gelijk naar huis.
Een uur later reden ze tussen de bomen bij de Utrechtse Heuvelrug.
Ze stapten uit Fenna, Lennart en Maartje.
Mooi, hè? zei Lennart voorzichtig toen ze hun regenlaarzen aantrokken.
Ja fluisterde Fenna.
Lennart gooide een tennisbal voor Maartje, zodat zij uit de buurt bleef.
Fenna kon haar blik niet van de hond weghalen.
Hoe voel je je nu?
Geen idee Moeilijk.
Luister: niet alle honden zijn gevaarlijk.
De hond die jou beet, was niet zoals Maartje.
Zij is lief, echt.
Net als bij mensen heb je lieve en nare types.
Ik begrijp het wel.
Je hoeft niet bang te zijn.
Na een paar van deze wandelingen ga je zien dat een hond echt anders kan zijn dan je dacht.
Lennart gooide de bal flink ver.
Maartje blafte enthousiast en dook het struikgewas in.
Is ze boos nu? vroeg Fenna gespannen.
Lennart grinnikte.
Nee!
Ze vindt het geweldig, dat is haar lievelingsspel.
Maartje bracht de bal terug en ging waggelend klaar staan.
Wil je het proberen? vroeg Lennart zacht.
Durf niet.
Sluit je ogen.
Dan is het minder eng.
Kom, gewoon één keer.
Met knikkende knieën pakte Fenna de bal aan, kneep haar ogen dicht en gooide het ding zo hard als ze kon.
Maartje snelde erachteraan.
Goed gedaan! lachte Lennart.
Maartje vond de bal en keerde terug.
Fenna toonde een voorzichtig glimlachje.
Misschien moeten we weer terug, zei ze na een tijdje.
Maartje kwam echter niet terug, bleef blaffen bij een grote plas.
Ik kijk wel even, bromde Lennart.
Wacht jij hier maar.
Nee, ik kom met je mee!
Samen baanden ze zich een weg door het kreupelhout.
Maartje stond bij het water en blafte naar de bal, die ergens dreef.
Ze durft niet, lachte Lennart.
Maartje is bang voor water.
Honden kunnen toch niet bang zijn? Fenna klonk verbaasd.
Jawel, ieder dier is ergens bang voor.
Toen ik Maartje als pup uit een rivier redde, heeft ze water nooit meer vertrouwd.
Wees voorzichtig, Lennart, zei Fenna onrustig, het lijkt hier wel moerassig.
Valt wel mee, het is gewoon een diepe plas van de regen.
Lennart waadde erin, maar plots zakte hij tot zijn knieën in de modder.
Alles oké daar?! riep Fenna angstig.
Kan niet bewegen denk dat je gelijk had.
Dit is moeras!
Maartje keek smekend naar haar baasje, piepte zenuwachtig.
Fenna!
Zoek een stok, iets lang!
Met trillende handen speurde Fenna naar haar mobiel om hulp te bellen geen bereik.
Paniek overspoelde haar.
Daar, een hond, het moeras haar grootste angsten samen.
Vechten of vluchten.
Maar toen Lennart wanhopig help! riep, werd iets in Fenna wakker.
Ze greep een dikke tak, rende ermee naar de plas, stak het uiteinde uit naar Lennart.
Hij greep hem stevig, Fenna zette zich schrap en begon te trekken.
Het lukte niet alleen.
Maartje besefte wat ze moest doen, pakte Fennas jas tussen haar tanden en begon te trekken.
Samen mens en dier trokken ze Lennart uit de zuigende modder.
Trillend stortten ze neer op het mos.
Uitgeput, onder de modder, maar veilig.
Twee heldinnen zijn jullie.
Ik heb misschien het leven aan jullie te danken Lennart trok ze beiden in een omhelzing.
Uit het moeras getrokken, letterlijk!
Iik was doodsbang fluisterde Fenna.
Vertel maar niet dat je weer een nieuwe angst hebt ontwikkeld, grijnsde Lennart.
Fenna glimlachte broos: Jawel.
Ik ben doodsbang jou te verliezen.
Die angst maakt alles kleiner dan jij en Maartje.
Ze pakte Maartje bij haar nek en gaf haar een innige knuffel.
Dank je, Maartje.
Zonder jou
Die avond, na een lange warme douche en een Hollandse maaltijd met stamppot en rookworst, lagen Lennart, Fenna en Maartje samen op de bank te kijken naar filmpjes van honden in Nederland.
Fenna wilde niks anders zien die nacht.
En Lennart en Maartje vonden dat helemaal niet erg.
Want die avond wisten ze allemaal: de angst elkaar te verliezen is sterker dan elke andere angst.
En die deelden ze voortaan samen.





