Toen ik vijf was, verdween mijn tweelingzusje, Saar, spoorloos terwijl we logeerden bij oma in Breda. Ze zat nog geen twee tellen geleden in de hoek met haar favoriete rode bal te spelen, en PATS, weg was ze. Politiemensen struinden dagenlang door de Brabantse bossen en uiteindelijk vertelden mijn ouders dat haar lichaam gevonden was. Maar een begrafenis heb ik nooit gezien, noch een graf bezocht. Daarna verdwenen haar spulletjes als sneeuw voor de zon, werd haar naam nog amper genoemd, en mijn vragen werden met zachte dwang de kop ingedrukt. Naarmate ik ouder werd, werd het zwijgen alleen maar luider het was alsof er altijd een hoofdstuk uit mijn levensboek ontbrak.
Ik sleepte dat onverwerkte verlies mee naar de volwassenheid. Ik trouwde, kreeg kinderen en werd later zelf oma, bouwde ogenschijnlijk een compleet bestaan op terwijl ik stiekem bleef piekeren over Saar. Pogingen om meer uit te zoeken, leverden alleen schouderophalen op; zelfs bij de politie kreeg ik nul op het rekest. Uiteindelijk accepteerde ik dat het mysterie samen met mijn ouders het graf in was gegaan. Toch bleef Saar door mijn hoofd spoken, soms letterlijk in mijn dromen of als ik in de spiegel keek en me afvroeg hoe ze eruit zou hebben gezien als ze was blijven leven.
Alles sloeg ineens om toen ik op mijn drieënzeventigste mijn kleindochter ging bezoeken op de universiteit in Utrecht. Op een gewone ochtend, tijdens het bestellen van een cappuccino in een buurtcafé, hoorde ik ineens een stem die akelig vertrouwd klonk. Toen de vrouw zich omdraaide, had ik het gevoel tegenover een oudere versie van mezelf te staan. Ze heette Margriet. Al snel bleek dat ze als baby was geadopteerd uit een dorpje vlakbij waar ik vroeger opgroeide nota bene. Onze overeenkomsten waren haast ongelofelijk. Nieuwsgierig maar ook een beetje voorzichtig wisselden we telefoonnummers uit en spraken af samen uit te zoeken hoe onze levens aan elkaar gelinkt konden zijn.
Weer thuis dook ik in vergeelde familiedocumenten en, jawel hoor: in oude adoptiepapieren stond dat mijn moeder nog vóór de komst van Saar en mij een dochter had gekregen. In haar priegelhandschrift stond uitgelegd onder welke pijnlijke omstandigheden ze dat kind had moeten afstaan, iets waar nooit nog over gesproken was. Een DNA-test liet er geen twijfel over bestaan Margriet en ik waren zussen. Onze hereniging maakte de decennia aan verwarring en verdriet niet ongedaan, maar gaf ons tenminste antwoorden èn de kans om alsnog een band op te bouwen. Het besef dat familiegeschiedenissen barsten van de liefde maar ook van lastige keuzes, hielp me mijn verleden eindelijk te plaatsen. De tijd kun je niet terugdraaien, maar dankzij Margriet viel er toch een belangrijk puzzelstuk in mijn leven op zijn plek. Soms duurt het even, maar zelfs na al die jaren vindt de waarheid tóch haar weg terug naar huis.





