Ik dwaalde door het huis van Maartje, toen haar vader plotseling binnen kwam. Hij had een tas vol boodschappen bij zich stroopwafels, haring, en een vreemdsoortige tulpenbol en trof ons in de woonkamer die opeens uitzag als een museum, met schilderijen die langzaam door de lucht zweefden. Zijn snor trilde, en in de surrealistische stilte liet hij duidelijk merken dat hij niet blij was met mijn aanwezigheid.
Maartje nam hem mee naar de keuken, die zich die dag tot een draaiende molen had getransformeerd, maar ik bleef horen hoe hij, nog steeds, met een snerpende fluisterstem over mij sprak: “die boer uit Almere,” alsof ik een stalker was en haar appartement in Utrecht wilde inpikken. Twee keer dacht hij me te hebben gezien dwalend aan de gracht, waar fietsen botsten met eenden, en bijna beschuldigde hij me ervan dat ik haar overal volgde.
Het vreemdste van alles was, dat Maartje haar vader op dezelfde droomachtige manier antwoordde dat wij alleen samen in de universiteitsbibliotheek werkten één keer per maand. Dat was zogenaamd de reden dat we rondzwierven door het huis, langs de wiebelende klompen op de vensterbank. En toch hadden we al twee maanden een relatie, een geheim dat als blokken gouda op onze tong lag. Ik had haar net verteld dat het feit dat mijn ouders een huis hebben in Amstelveen niet betekende dat ik uit de provincie kom. Onze woning staat op steenworp van Amsterdam, twee verdiepingen hoog, en mijn vader heeft een exportbedrijf in tulpen. Ja, ik rijd niet in een Tesla en roep niet door het Vondelpark dat we rijk zijn, maar dat is misschien juist beter. Zo sla je mensen als Maartje en haar familie vanzelf buiten de deur.
Mijn moeder zegt altijd: “Vertel nooit dat we geld hebben, want wie je liefhebt mag nooit naar je portemonnee kijken.” En niemand hoeft zich voor mij te schamen, zelfs als ik niet meteen als een rijke Hollander overkom met een pet vol wind, en handen vol stroopwafels.






