14 maart
Waar is die man nou weer naartoe? Net voor het eten nog wel. Ik liep achter Bert aan de hal in, waar hij snel zn jas aantrok en onze hond Max aan de riem klikte. Hij keek me niet aan.
Ik ga even met Max lopen, ben zo terug. Tien minuutjes, mompelde hij, zonder me echt aan te kijken.
Verbaasd bleef ik staan. Normaal is hij tijdens het eten niet weg te slaan. Sterker nog, hij zit meestal al aan tafel voordat ik de soepborden heb gepakt. Vandaag leek het alsof hij expres vertrok. Ik haalde mijn schouders op en keek uit het raam.
Door de vochtige Scheveningse schemering zag ik Bert met Max over het pleintje lopen. Max bleef abrupt stilstaan bij een kale struik, snuffelde. Bert keek stiekem omhoog naar het raam, zag mij en draaide zich snel weg.
Er klopt iets niet, dacht ik. Zo zou Bert zich niet gedragen zonder aanleiding. Zodra hij binnen zou zijn, zou ik het vragen. Maar hij kwam niet na tien minuten. Ook niet na een uur.
De maaltijd stond koud te worden. Na uren wachten begon mijn hart sneller te kloppen van angst. Ik belde ziekenhuizen HagaZiekenhuis, Bronovo en zelfs de politie. Nergens een Bert Hendriks of iemand die erop leek. Paniek.
Ons huis, ooit een ruime bovenwoning in Oud-West, voelde verstikkend. Bert en ik hadden het gekocht nadat zijn ouders een aardige duit hadden bijgelegd. Zelf ben ik deels gaan werken, daarnaast liepen we in het begin tegen flinke euro-leningen aan. Maar we hadden het mooi voor elkaar: drie royale kamers, hoge plafonds, ruimte voor logees, en een eetkeuken open naar het park.
Onze dochter Lonneke zit in de tweede van het vwo, een slimme meid. We gingen vroeger s zomers altijd naar Zeeland of, als het financieel wat ruimer zat, naar een all inclusive in Spanje. We hadden het goed. Totdat Bert die avond verdween. Ik kon geen rust vinden.
De nacht bracht slapeloosheid, huilbuien en kramp in mijn kaken van het tanden knarsen. Op mijn werk, de volgende dag, vroegen collegas of ik aangifte had gedaan en of ik vrienden had gebeld.
Politie wil pas na drie dagen een melding aannemen. Waarschijnlijk komt hij gewoon thuis, grinnikte die agente nog. Vrienden weten ook niets. Berts mobiel staat uit. Er was geen ruzie, alles leek goed, mompelde ik, maar mijn onderbuik vertrouwde het niet meer. Ik herinnerde me hoe hij mijn blik ontweek. Had ik iets gemist?
Na drie dagen kon ik het niet meer volhouden. Na de lunch nam ik vrij en liep met een recente foto van Bert in mijn tas naar het bureau aan de Vondelstraat. Op de brug rinkelde mijn telefoon onverwacht: Bert! Ik schrok ervan.
Bert? Ben je ok? Wat is er gebeurd? Waar ben je?
Het spijt me, Anneke. Ik hou al een tijd van een andere vrouw. Vanochtend, toen jij en Lonneke weg waren, heb ik mijn spullen gepakt. Ik kom niet terug. Het spijt me. De verbindingspiep galmde pijnlijk na in mijn oren.
Hoe durf je?! Lul! Lafbek! snikte ik midden op straat en bleef bellen, maar de voicemail was alles wat ik kreeg.
Terug thuis viel ik uitgeput op bed. Lonneke vond me later nog in mijn jas en haar ogen vulden zich met tranen toen zij de situatie besefte. Ons gezin weg. Alles in stukken.
De uren daarna hing ik slijmerig aan de telefoon: vrienden, kennissen niemand wist iets over haar, de vrouw met wie Bert nu was.
Toen de scheiding uiteindelijk een feit was, had ik niet eens meer de energie om uit te zoeken waar hun liefdesnest was, laat staan Berts nieuwe vriendin de huid vol te schelden. De woede verteerde me, maar sloeg uiteindelijk om in apathie.
Een paar maanden later vertelde Lonneke dat zij Bert had gezien zelfs soms bij hem thuis op bezoek was geweest. Een flatje aan de rand van Den Haag, schreef ze. Klein, zijn nieuwe vriendin zwanger en aardig, maar beslist geen schoonheid. Het nieuws sneed, maar sprak ik uit, dan keken we elkaar dagenlang niet aan.
De jaren verstreken. Mijn hart bleef koud voor anderen, de realiteit deed pijn. Lonneke haalde haar vwo-diploma en wilde geneeskunde gaan studeren, net als haar vader. Ik was trots, maar voelde me oud, leeg.
Toen kwam het telefoontje, een zaterdagochtend in april. Een arts van het ziekenhuis in het centrum wilde weten of ik familie was van Bert Hendriks. Details gaf hij niet.
Met bonkend hart pakte ik een taxi naar het ziekenhuis. In de artsenkamer wachtte een kalende internist me op. Geen omweg: drie weken geleden had Bert een verkeersongeluk gehad, gevolgd door een herseninfarct. Hij was nu volledig afhankelijk, sprak nauwelijks meer, en zou naar huis moeten wíeg geen opnameplek meer.
Waarom belt u mij? Hij heeft toch een andere vrouw? vroeg ik, niet-begrijpend.
De arts drukte me een brief in de hand. A. v. d. Berg weigert Bert Hendriks op te nemen vanwege de kleine behuizing, baby en geen geld voor hulp. Mijn naam stond eronder als contactpersoon.
Kijk aan. Zolang hij euros meebracht, wilde ze hem houden. Nu hij niks meer kan, moet ik hem maar terugnemen? Alsof hij een kast is die je niet meer in huis wil. Alsof hij me nooit geraakt heeft En u verwacht dat ík hem weer opvang?’ Ik sloeg op het bureau.
Er is enig kans op herstel, als u hem verzorgt. De arts probeerde me kalm te houden.
Hij is niet meer mijn man, bromde ik. Wanneer neemt u afscheid van hem?
Woensdag komt de ambulance hem brengen wij hebben te weinig bedden voor mensen die niet langer behandeld kunnen worden.
Doelloos liep ik naar huis. Mijn hoofd duizelde van de chaos. Ik praatte luidop tegen mezelf, zonder het te merken.
Had ik toen toch maar haar haar uit dr kop getrokken. Waarom moet ik hem ophalen? Moeten zijn ouders, maar die zijn oud Of naar een verpleeghuis? Kan dat überhaupt? Mensen keken om, mompelend liep ik verder.
En jij pikt het gewoon, na alles wat hij jou heeft aangedaan? Lonneke was verbolgen.
Wat wil je dan, Lon? Moet hij naar een tehuis? Daar nemen ze hem niet op, hij is te jong. Wie gaat er dan voor hem zorgen?
Zou hij jou zo verzorgen, als de rollen omgedraaid waren? Jij was gezond en nog wilde hij niet bij je blijven. Ze glimlachte venijnig.
Genoeg. Ik probeer het. Alles beter dan hem dumpen zoals anderen. Ik maak de logeerkamer klaar, zuchtte ik.
Die avond was ik bezig met lakens, stofzuigen, alles opruimen. Ik sliep nauwelijks. Had ik de juiste keuze gemaakt?
Toen Bert op de brancard werd binnengebracht en ik naar zijn mager gezicht keek, schoot er medelijden omhoog. Niet meer voor Bert als man, maar gewoon: medelijden met een mens. De vader van mijn kind, waarmee ik een heel leven had gedeeld.
Je kunt niet praten, maar ik hoop dat je me verstaat. Ik heb je niet vergeven. Verwacht dat niet. Ik doe wat ik moet, meer niet. Kijk niet naar me als vrouw we hebben allebei betaald voor deze flat, daarom ben je hier niets anders.
De dag erop wilde ik hem een lepel gepureerde groentesoep voeren. Hij draaide zn hoofd weg, mond stijf dicht.
Wat is dit? Hongerstaking? Snak je naar je vrouw? Die heeft je net zo makkelijk laten vallen als jij mij. Je hoeft niet bij mij te blijven hoor. Wil je niet eten? Meen je dat je liever sterft dan dat je door mij gevoed wordt? Vergeet het maar. Dit is mijn wraak: ik laat je niet verhongeren. Eet, herstel, dan mag je gaan.
Bert keek me aan met pure woede, maar at uiteindelijk wel. Elke dag mopperde ik tegen hem, tot ik er zelf moe van werd. Daarna kwam ik alleen nog voor de noodzakelijke zorg.
Jaren verstreken, zes in totaal. Ik huurde hulp in: een verzorger, een fysio, een masseur. Bert leerde langzaam op bed te zitten, weer iets te eten, uiteindelijk zelfs lopen met een rollator. Side aan side, levenslang gestrafd door elkaars aanwezigheid. Na zijn tweede beroerte liet Bert het leven.
Na de begrafenis kon ik niet langer in dat kolossale huis wonen. Lonneke ging samenwonen met haar vriend. Ik verkocht het huis, kocht een klein appartement en gaf de rest van het geld aan mijn dochter.
Af en toe wandel ik over de begraafplaats waar Bert ligt. Zijn grafsteen is eenvoudig. Soms hoop ik dat ik haar nog eens tegenkom, de ander. Zes jaar heb ik in haar schaduw gezeten en gezorgd voor wat van haar bleef. Maar ze kwam nooit.
Het blijkt soms makkelijker te zijn afscheid te nemen van iemand die weggaat, dan met iemand te moeten leven die terugkomt.






