31 december, Amsterdam
Bijna negen jaar geleden ben ik overleden. Maar ik schrijf dit dagboek niet om te vertellen hoe het leven aan de andere kant is. Ik schrijf, omdat ik mijn verhaal wil delen. Mijn verhaal over een grote liefde, de enige echte liefde in mijn leven. En ik wil ook zeggen: liefde sterft niet, zelfs niet als je dat zelf probeert, zelfs niet aan gene zijde. Liefde gaat nooit verloren.
We hebben elkaar leren kennen op 31 december. Ik zou Oud & Nieuw vieren bij oude vrienden, samen met mijn vrouw. Mijn leven voor haar komst was zo doel- en betekenisloos dat ik mezelf vaak afvroeg waarvoor ik leefde. Werk? Natuurlijk, ik vond mijn werk prettig, maar het bracht geen vuur. Gezin? Ik had altijd graag kinderen willen krijgen, maar dat was nooit gelukt. Nu, achteraf, zie ik dat alles wat ik deed, slechts het wachten was op dit ene moment. Ik kan haar niet beschrijven, niet echt geen woord, geen straattaal, geen Haagse uitdrukking doet haar eer aan. Elke letter die ik schrijf is doordrenkt van liefde voor haar. Voor iedere wimperslag, elke traan die over haar verdrietige Hollandse ogen biggelde, zou ik alles gegeven hebben.
Die bewuste 31 december wist ik het meteen. Kassa, alles kwijt. Als zij die avond alleen was gekomen, had ik geen seconde getwijfeld en meteen het gesprek gezocht zelfs met mijn vrouw erbij. Maar ze was niet alleen, naast haar stond mijn beste vriend. Ze kenden elkaar net een paar weken, maar alles wat hij had verteld over Anna, prikkelde al mijn nieuwsgierigheid. Nu zag ik haar zelf. Toen in de Jordaanse woning de klok twaalf sloeg en het vuurwerk knetterde, liep ik naar het raam. Mijn adem ving op het koude glas en ik kraste: IK HOU VAN JOU. Toen ik even later terugkeerde, was het verdwenen, opgelost in de nacht. Een uur later ging ik weer, ademde op het raam en daar stond: JE BENT VAN MIJ. Mijn benen werden week, ik durfde nauwelijks te ademen.
Echte liefde, dat snap je meteen. Alles daarvoor was bijzaak, een slaperige droom. Het leven begon pas op die oudejaarsavond, want in haar ogen las ik dat het voor haar ook zo voelde. Op twee januari namen we samen een kamer in een klein hotel aan de grachten van Utrecht. We droomden van een eigen stek. Gewoonte werd het: elkaar lieve zinnen schrijven op beslagen ruiten. Jij bent mijn droom, schreef ik. Niet wakker worden! schreef ze terug. Onze diepste wensen lieten we achter op ramen: in het hotel, in mn oude Golf, zelfs bij haar ouders thuis in Rotterdam.
We waren precies twee maanden samen. Toen hield mijn tijd op. Nu, bijna negen jaar later, kom ik alleen nog bij haar als ze slaapt. Ik ga naast haar liggen, ruik haar geur, strijk door haar blonde haren. Huilen kan ik niet meer, maar ik voel pijn geen lijfelijke pijn, maar hartzeer. Elk jaar, met Oud & Nieuw, viert zij alleen. Ze zit bij het raam, schenkt een glas prosecco in, en huilt. Die traditie is heilig. En ik weet dat ze me elke dag nog berichten stuurt op de ramen. Maar ik kan ze niet meer lezen, want mijn adem blijft niet langer hangen op het glas.
Afgelopen jaarwisseling was anders. Ik had het recht verdiend om één wens te doen. Mijn enige verlangen: haar laatste boodschap lezen. Toen ze sliep, zat ik lang bij haar, aaide haar wangen, kuste haar handen. Uiteindelijk liep ik naar het raam. En ja het lukte: ik zag haar laatste boodschap, duidelijk op het beslagen glas: LAAT ME LOS.
Dit wordt de laatste jaarwisseling die ze alleen viert. Ik kreeg toestemming voor één laatste wens in ruil daarvoor mag ik nooit meer bij haar terugkeren, nooit haar meer zien. Als straks de klok middernacht slaat, heel Nederland juicht, overal vuurpijlen de lucht in knallen, iedereen elkaar kust en proost met een glas bubbels, loopt zij naar het raam. Daar zal staan, in onmiskenbare letters: IK LAAT JE GAAN.
Als man heb ik geleerd: je kunt niet iemand vasthouden als het tijd is los te laten. Zelfs de grootste liefde verdient vrijheid, zelfs in het nuchtere en soms kille Nederland.






