Mam heeft lang geleden, haar sterven was zwaar en alles behalve vredig. Maar juist haar ogen… Hoe dichter het onvermijdelijke kwam, des te zwarter werden ze. Op de laatste avond waren haar ogen fluweelachtig donker, met een ondoorgrondelijke wijsheid en allesziende blik. Of misschien stak haar gezichtshuid gewoon steeds bleker af…
Het was aan het eind van de zomer dat ik haar ophaalde van haar seniorenwoning in het buitengebied en, omdat het al laat was, besloot bij haar te blijven logeren. Die nacht, op weg naar het toilet, struikelde ze en viel. Later bleek dat haar heup gebroken was. Voor oude mensen is dat haast een vonnis.
Daarna ging alles snel: ambulance, spoedeisende hulp, operatie, en tien dagen ziekenhuis. Op weg naar het ziekenhuis moest ik ineens denken aan vroeger, aan de tijd toen mijn vader omkwam bij een ongeluk met zijn oude Zündapp op de N34, midden in de nacht. Ik was drie, mam achtentwintig. Ze wilde mij toen het verdriet besparen en bracht me tijdelijk naar haar goede vriendin, Ans van Dijk, en vertelde me dat papa op zakenreis was… Trouwen deed mam daarna nooit meer; ze was bang dat een nieuwe man mij nooit echt als zijn zoon zou zien.
Toen ze eindelijk weer naar huis mocht, heb ik mijn baan opgegeven om voor haar te zorgen; een verpleegkundige konden we echt niet betalen, want op dat moment waren we bezig mijn jongste zoon een flatje te kopen. Ik trok bij mam in haar kleine appartementje, verschoonde haar, waste haar, voedde haar soms wel zes keer per dag luiers verschonen. Ze klaagde nooit. Verdroeg alles stil. Alleen soms, als ik haar onhandig draaide, kreunde ze zacht als een kind. Maar dan fluisterde ze meteen: Niks aan het handje, jongen, het gaat wel goed zo…
Nooit had ik beseft hoe snel ik walging voelde, of hoe zwak ik eigenlijk was. Vaak huilde ik stilletjes als ik op de logeerbank naast haar lag van wanhoop. Soms zou ik willen zeggen dat het tranen van medelijden voor haar waren, maar eerlijk is eerlijk het was toch vooral zelfmedelijden.
Hulp verwachten was zinloos: mijn beide zonen hadden hun handen vol aan werk en gezin. Mijn vrouw, Tineke, zei: Maar het is toch jóúw moeder. Voor mij is ze gewoon een vreemde vrouw
Op dat moment moest ik denken aan de eerste keer dat ik Tineke meenam om haar aan mam voor te stellen. Mam was de hele avond allerhartelijkst geweest. Toch, toen ik thuiskwam, haalde ze haar schouders op en zei: Weet niet, er klopt iets niet… Maar jij moet met haar trouwen, niet ik. Hun relatie was overigens altijd vriendelijk.
Maar nu waren mam en ik, net als vroeger, weer met zn tweetjes. s Avonds, als het licht uit was, praatten we lang met elkaar. Ze vertelde over opa en oma, over hoe de Duitsers het dorp binnentrokken. Zij en haar oudere zus verstopten zich achter het hek en bespiedden die vreemde rijke mannen die op hun mondharmonica speelden en overal hard om lachten.
Ze vertelde over papa, die ik nauwelijks meer herinner. Een vage schim in mijn geheugen groot, prikkerige stoppels, sigarillogeurtje. Nam me op zn schoot, kuste me, riep steeds: Mijn jongen, mijn zoon, mijn alles!
Mam ging steeds verder achteruit, en onze nachtelijke gesprekken doofden langzaam uit. Steeds dacht ik dat het kwam doordat ik zo slecht kookte. Ik begon daarom warme maaltijden van de lokale brasserie te laten bezorgen alles netjes verpakt en dampend heet. Maar als ik vroeg wat ze ervan vond, knikte ze futloos en zei: Je wordt nog eens een echte chef, met al dat oefenen. Maar eten deed ze nauwelijks.
In haar laatste nacht thuis begon mam ineens over de eerste balpen in de stad, toen ik in groep vijf zat. De vader van Lenneke van Breemen had er eentje bij de Hema op de kop getikt. Die pen was toen het vernuftigste voorwerp dat ik ooit had gezien. Die avond liet ik hem trots thuis aan mam zien. Toen ze hoorde dat ik hem had gestolen, sloeg ze me. Hard, met de riem. Daarna namen we samen de pen en gingen naar de familie Van Breemen om hem terug te brengen.
Ik herinnerde me dat nauwelijks, maar mam begon die nacht haar excuses aan te bieden en probeerde zich te rechtvaardigen. Ze was bang geweest dat ik op het verkeerde pad zou raken.
Ik aaide haar hand en voelde me plotseling intens schuldig tegenover haar, ondanks dat ik nooit een dief was geworden.
Vlak voor de ochtend, toen het steeds slechter ging en de ambulance alweer gebeld was, kwam mam bij en kneep voorzichtig in mijn hand. Och jongen hoe moet jij nou zonder mij. Je bent nog zo jong zo onhandig
Mam is uiteindelijk net geen anderhalve maand voor haar negenentachtigste verjaardag overleden. De dag na haar overlijden werd ik vierenzestig jaar.






