De man uit mijn dromen had zijn vrouw voor mij verlaten, maar ik had nooit kunnen voorzien hoe vreemd alles zou eindigen.
Ik bewonderde hem al op de universiteit. Het leek wel een onvoorwaardelijke liefde kinderlijk en blind. Toen hij eindelijk echt naar mij keek, verloor ik alle contact met de werkelijkheid, zoals je in een droom ook niet meer weet hoe je daar ooit gekomen bent. Het gebeurde pas een paar jaar nadat we afgestudeerd waren, alsof we beiden opgeschoven waren naar een parallel universum en zomaar in hetzelfde kantoor in Amsterdam terechtkwamen. Dezelfde studie, dezelfde saaie vergaderingen, maar voor mij voelde het alsof het lot zelf zijn hand uitstrekte.
Het was of ik met open ogen droomde: hij was de man waar ik al mijn hele leven over gefantaseerd had. Destijds stoorde het me totaal niet dat hij getrouwd was. Zelf was ik nooit gehuwd geweest en ik kende de kloven van gebroken huwelijken alleen van oude familieverhalen aan de keukentafel in Rotterdam. Dus voelde ik me totaal niet schuldig toen Willem zijn vrouw verliet voor mij. Niet wetende dat het ongeluk van een ander zijn schaduw over mijn geluk zou werpen, net als de onweerswolken boven de Noordzee soms plotseling het strand verduisteren.
Toen hij mij koos, voelde ik me alsof ik op de dam boven het IJsselmeer stond en de horizon in vuur en vlam zag: ik kon alles aan. In het dagelijks leven was hij echter minder een sprookjesprins en meer een verstrooide reiger. Zijn kleren lagen als verloren vissersnetten verspreid over de vloer, en de afwas leek voor hem een mysterie dat niemand ooit mocht oplossen. Het huishouden was een natte dweil in mijn handen, maar ik vond het niet erg zo werkt liefde toch altijd in een droom?
Al snel bleken zijn vroegere huwelijk en schoonfamilie slechts mistflarden in zijn herinnering. Er waren geen kinderen en het was zijn schoonmoeder uit Groningen die het huwelijk destijds had opgedrongen. Met mij zou het anders moeten zijn zo verzekerde hij mij telkens opnieuw, in die vreemde en eindeloze zomernachten van onze prille relatie.
Mijn blijdschap waarde kort, want alles veranderde toen ik zwanger raakte. In het begin was Willem dolblij met het vooruitzicht vader te worden. We organiseerden een groot familiefeest, compleet met stroopwafels, haring en stapels Bossche bollen, onder het zachte licht van lampionnen in de tuin. Iedereen wenste ons liefde en geluk, en gezondheid voor ons ongeboren kind.
Die avond is nog altijd een van de mooiste herinneringen uit mijn leven, een warme, gouden waas. Maar het was ook het moment waarop mijn blind vertrouwen langzaam begon op te lossen als suiker in de thee.
Mijn buik groeide als een opgeblazen luchtballon boven de velden van Noord-Holland en Willem was steeds zeldzamer thuis. Ik zat in zwangerschapsverlof hij leek steeds langer op kantoor te blijven, of verdween naar mysterieuze bedrijfsborrels. Eerst vond ik het niet erg, maar al snel werd ik er vermoeid van. Het huishouden werd als het trekken van een zware bakfiets door de regen, terwijl ik nauwelijks nog bij zijn rondslingerende sokken kon komen.
Soms dacht ik, was het niet allemaal wat te overhaast gegaan, dat kind?
Liefde dooft uit, dat wist ik wel, maar zo snel? Willem bracht me af en toe een bos tulpen of Tonys chocolonely, maar meer dan snoep en bloemen verlangde ik naar zijn aanwezigheid gewoon samen de avond overleven, met regen op de ramen en babykleertjes vouwen op de bank.
Niet veel later kon ik niet om het gevoel heen dat hij niet langer alleen voor zijn werk wegbleef. Collegas lieten vallen dat er een jonge vrouw het team kwam versterken, juist nu er personeelsgebrek was sinds ik met verlof was. Het was bijna een karikatuur van ironie.
Ik wist niet zeker of zij het was, maar Willem had onmiskenbaar iemand zijn vrije uren waren verdampt als ochtendmist boven de sloten. Werk, zakelijke afspraken, avonden vol netwerken in een Amstel Hotel, hij was nooit meer thuis. Totdat ik op een dag een briefje vond in zijn jasje, met initialen die ik niet herkende. Onrust flitste voorbij, maar ik legde het briefje gewoon terug, alsof ik in een droom besluit alles onbesproken te laten.
Het was beangstigend om alleen te zijn, zeven maanden zwanger, de hemel boven me als een onstuimige herfststorm. Toch klaagde Willem alleen dat ik zo gespannen was. Iedere ruzie eindigde in zijn diepe zucht, een levend schilderij van teleurstelling aan het IJ. Ik wist het zeker: als ik erover begon, zou ik helemaal alleen achterblijven. De angst om hem te verliezen bedreef alles en zoals het gezegde gaat: waar je bang voor bent, lok je uit.
Willem had me als een ware heer veroverd, maar uiteindelijk waren zijn woorden als koude regen uit een onverwachte lucht: Ik ben niet klaar voor een kind. En: Ik heb iemand anders. Hoe hij het precies zei is me nooit bijgebleven, want in dat moment, in dat droomachtige besef, zakte de grond onder me weg.
Ik dacht niet dat ik de kracht had om om een scheiding te vragen. Blijkbaar verwachtte hij ook niet dat ik zijn gedrag niet langer zou verdragen. En zeker niet dat ik de volgende dag zijn kleding over het trappenhuis van onze huurflat in Utrecht zou gooien, als losgelaten meeuwenveren op de gracht.
En het kind dan? dacht hij hardop. Hoe ga je dat alleen doen?
Ik ga het gewoon doen, zei ik. Ik vind wel iets, werk thuis, mijn ouders hebben altijd aangeboden te helpen. Mijn moeder had me al gewaarschuwd dat hij een vrouwenversierder was had ik maar geluisterd.
Waarschijnlijk gaf de verantwoordelijkheid voor die toekomstige zoon mij de moed om door te zetten. Alleen had ik het nooit gekund.
Pas later zag ik helder dat ik mijn kind niet wilde opvoeden met zon vader. Zijn verraad was een laffe one-man-show, ik hoefde nooit meer iets met hem te maken hebben. De mist optrok, mijn ogen openden zich.
De eerste maanden na de scheiding, inclusief de bevalling, waren loodzwaar. Ik trok weer in bij mijn ouders in Haarlem, tot grote vreugde van hen en mijn opa en oma, die blij waren met een kleinzoon op schoot, kijkend naar de zwanen in het park. Of ik Willem miste? Soms. Maar ik dwong mezelf niet te veel aan hem te denken. Diep vanbinnen wist ik dat ik het juiste had gedaan en dat mijn zoon alles zou krijgen wat hij nodig had.
En toen, als in een zonderlinge wending van het droomverhaal, stond Willem ineens weer voor de deur.
Blijkbaar had hij spijt. Hij wilde zijn zoon zien. Maar wil ik dat eigenlijk wel? Of moet ik toch écht verhuizen misschien naar Maastricht, of gewoon verdwalen in een andere stad waar de grachten mij onbekend zijn?





