Ik heet Gerda, ik ben 68 jaar oud en ik heb jarenlang gedacht dat ik mijn best heb gedaan voor mijn kinderen dat ik echt alles heb gegeven wat ik kon. Maar vandaag kijken zij daar toch heel anders tegenaan.
Ik was alleenstaande moeder, en geloof me, dat was absoluut nooit mijn keuze. Op zomaar een doordeweekse ochtend is mijn man vertrokken. Geen afscheid, geen uitleg. Hij was gewoon weg en liet mij achter met onze kinderen. Later, via-via, hoorde ik dat hij met een andere vrouw was vertrokken. Echt zeker weet ik het niet, want hij is nooit teruggekomen, niet eens om de kinderen in de ogen te kijken. Gewoon in rook opgegaan.
Toen waren mijn kinderen nog zo klein, zes en vier jaar oud. Ze kwamen compleet voor hun moeder te staan. En ik had niemand geen familie die voor me klaar kon staan. Ik ben opgegroeid in een arm en stil dorpje in Groningen, zon plek waarvan je hoopt dat je ooit wegkomt, maar eigenlijk zonder vangnet vertrekt. Geen netwerk om je op te vangen als het tegenzit, geen luisterend oor bij rampspoed.
Mijn kinderen verwijten me niet dat ze niet te eten of geen dak boven hun hoofd hadden. Het is me altijd gelukt om hen het nodige te geven, al moest ik daar soms rare sprongen voor maken. Het verwijt zit in wat ik emotioneel niet heb kunnen geven. Ik was streng, niet uit hardheid, maar uit angst. Liefde heb ik altijd gezien als iets dat je aantoont door opoffering, niet door woorden of knuffels. Discipline in plaats van warmte, omdat ik niet beter wist.
Voor het geld werkte ik in een naaiatelier. Niet glamorous, maar het liet me s middags thuis zijn om de kinderen op te vangen, eten te geven en te checken of alles goed ging. In de avonden verkocht ik broodjes op het station dodelijk vermoeid, maar hopend op net dat beetje extra waarmee ik het gezin draaiende hield. Die dubbele diensten bleven jaren zo doorgaan.
Achteraf gezien was ik fysiek aanwezig, maar emotioneel vaak zo ver weg. Vooral op drukke dagen kwam ik moe thuis en kon ik weinig hebben. Huilde er iemand, dan zei ik al snel dat ze overdreven. Vroegen ze mijn aandacht, dan kregen ze vooral instructies. Maakte iemand een fout, dan corrigeerde ik dat, in plaats van te troosten. Dat tedere heb ik nooit gekund. Ik was verantwoordelijk, maar kil, als ik eerlijk ben.
Er kwam een tijd dat alles instortte. Ons huurflatje in Rotterdam was piepklein nauwelijks plek om te slapen. Met maar één inkomen redden we het gewoon niet. Soms moest ik kiezen: huur betalen of eten kopen. En altijd koos ik voor eten voor de kinderen. Rekeningen liepen op, aanmaningen stapelden zich op, totdat het onvermijdelijke gebeurde: we werden uit huis gezet doordat ik achterstond met de huur.
Die dag zal ik nooit vergeten. Met twee kleine kinderen en een paar tassen stonden we op de stoep. Uiteindelijk mochten we van de buurvrouw op haar vloer slapen, in haar woonkamer. Ik was haar zó dankbaar, want daardoor stonden we in ieder geval niet op straat. Mijn kinderen snapt het allemaal niet zo, missen de ernst, maar voor mij was het schaamte, angst en totale uitputting.
De buurt heeft geld bij elkaar gelegd zodat we naar een nog kleiner kamertje konden in een oud huis met een gedeelde binnenplaats in Den Haag. Geen ruimte, geen privacy, maar wel veilig. Mijn kinderen herinneren zich vooral het geschreeuw daar, waar ik alleen maar uitputting zag. Zij weten nog de afstand, waar ik de strijd om te overleven heb gevoeld. Zij herinneren zich angst, waar ik vocht om niet te breken.
Maar ik heb het toch geflikt: ze gingen naar school, hebben hun diplomas gehaald. Nu zijn het volwassen mensen, met carrières, gezinnen en toekomst. Toch kijken ze nu anders naar mij dan vroeger. Ze vragen me waarom ik nooit vroeg hoe ze zich voelden. Waarom ik ze niet beschermde als iemand ze pijn deed. Waarom alles altijd belangrijker leek dan zij.
Je hebt voor ons gezorgd, mam, maar je knuffelde ons nooit, zei mijn jongste dochter Lotte laatst. Die uitspraak raakte me diep. Want het lag niet aan gebrek aan liefde, maar aan gebrek aan vaardigheden. Niemand heeft mij ooit geleerd teder te zijn. Ik ben opgegroeid met het idee dat je moet overleven, niet voelen.
Nu zijn ze verder van me af dan vroeger. Ze komen weinig langs, hebben hun eigen gezinnen en verplichtingen. Ze zeggen dat ze druk zijn, en dat zal best, maar ik weet dat dat niet alles is. Op een dag, zonder te beseffen hoeveel pijn het deed, zeiden ze allebei hetzelfde: hun vrouwen zijn heel anders dan ik. Geduldiger, knuffeliger, veel meer aanwezig voor hun kinderen. Dat werd zo terloops gezegd, niet met wrok, maar het voelde als een tikkende vinger. Alsof ze juist hebben gezocht naar wat ze bij mij misten.
En ik snap het wel het leven heeft me hard gemaakt. Ik was vroeg oud en moe. Het zit in mijn stem en gebaren. Nu zijn mijn kinderen mijn rechters, omdat ze woorden hebben gekregen voor wat ze vroeger inslikten. En, eerlijk is eerlijk, ik luister. Ook al doet het zeer. Ook als het me klein maakt.
Nee, ik vertel dit niet om mezelf vrij te pleiten. Ik was een moeder die haar zachtheid niet kon tonen. Ik heb fouten gemaakt. Daar ben ik me nu pijnlijk van bewust. Maar ik weet ook: ik heb gedaan wat ik kon, met de vrouw die ik toen was. Ik heb liefgehad zoals ik kon. Je kunt niet iets geven wat je zelf nooit hebt gehad.
Misschien zien mijn kinderen ooit het hele plaatje, niet alleen mijn fouten. Misschien ook niet. Moeder zijn is geen kwestie van perfectie, maar van liefde zelfs als je niet weet hoe je die goed moet laten zien. En ook al kijken mijn kinderen nu oordelend naar mij, ik hoop dat God me ziet voor wie ik was als moeder: met genade, waarheid en een liefde die niet veroordeelt, maar heelt.






