Ik reed over een winterse snelweg langs het bos, toen plotseling een roedel wolven de weg versperde, één wolf sprong op mijn motorkap; en precies op het moment dat ik dacht dat het mijn einde was, gebeurde er iets totaal onverwachts…

Ik reed over een kletsnatte, ijzige N-weg ergens langs de Veluwe, toen opeens een roedel wolven de weg blokkeerde. En jawel: één sprong doodleuk bovenop mijn motorkap; op het moment dat ik mezelf al geestelijk had opgegeven en die verzekering alvast in gedachten opzocht, gebeurde er iets zo bizar dat het zelfs op Koningsdag een bijzondere anekdote zou zijn…

Ik was onderweg, zoals ik dat al talloze keren had gedaan. De winterse bossen strekten zich uit aan weerszijden van de weg; er reed vrijwel niemand. Lekker rustig, muziekje aan, wat mijmerend over het leven en dat ik nu heus de boodschappen niet weer zou vergeten.

En toen pats, fel rood licht voor me.

De zwarte Volvo V70 voor me trapt plots op de rem. Pure oerpaniek, ik trap net zo hard mn rem in en kom met bonkend hart nét achter hem tot stilstand. Mijn hartslag daalde naar ergens ver onder het maaiveld.

Wat krijgen we nou? mompelde ik, terwijl ik naar buiten tuurde.

En toen snapte ik direct waarom Jan voor me zo abrupt stopte.

Daar, pontificaal op de middenweg, stond een roedel wolven. Niet één, niet twee, maar gewoon een complete mengelmoes van grijsgeblakerde schaduwen in de sneeuw.

Ze kwamen uit het bos, alsof ze een dagretour Ede-Arnhem hadden aangeschaft. Heel relaxed, zonder enige haast, staken ze over. De koplampen flikkerden in hun ogen, spooky genoeg om elke sprookjesverteller jaloers te maken.

Ik zat stijf in mijn stoel terwijl de wolven op de autos afliepen.

Eén bleef pal voor mij staan en keek me recht aan. Serieus, ik had het gevoel alsof hij mijn zielenroerselen zo kon lezen. Kijken, staren minutenlang, zo leek het. Maar dat kan ook gewoon de adrenaline zijn geweest.

Poging tot achteruitrijden: zinloos. In de spiegel zag ik tot mijn schrik nóg meer wolven. Ze stonden overal: langs de berm, tussen de bomen, rondom mijn brave Peugeot. Volledig ingesloten.

Adem stokte, handen trilden, stuur bijna fijngeknepen witte knokkels en al. En ja hoor, daar kwam ie. Een wolf lanceerde zich als Max Verstappen op volle snelheid, met een doffe klap op mijn motorkap. Poten gleden over het blik, klauwen krasten als een stel boze katten. Hij stak zijn snuit naar het raam en produceerde geluiden waar elke horrorregisseur nog wat van kan leren.

Ik schreeuwde alsof ik net hoorde dat hagelslag niet meer verkocht werd.

Dus daar zat ik. Op een spekgladde winterse Veluwse weg met een wolf op mijn motorkap. Ik dacht oprecht: Nou, Astrid, dit was het dan.

En precies op dat dramatische moment jawel hoor! gebeurde er iets wat zelfs Sinterklaas niet zou kunnen verzinnen…

Plots, uit boshoekje nabij Otterlo, klonk een ander geluid. Laag, zwaar, niet echt een gehuil of gebrul het leek meer op een roep.

Dat ging dwars door al het blik van mijn Peugeot heen. De wolf op mijn motorkap verstijfde, zijn oren recht omhoog. Hij keek om, richting bosrand. En daar kwam de grote baas.

Een wolf, nog indrukwekkender en imposanter dan de rest, stapte rustig de weg op. Een soort roedel-leider met het zelfvertrouwen van een burgemeester op lintjesdag. Hij keek zijn club aan, zo van: Gasten, jullie gedragen je weer als toeristen bij het Anne Frank Huis.

En plotsklaps veranderde alles.

Mn motorkap-wolf sprong zonder morren naar beneden. Geen gegrom, geen ruzie, gewoon: oké, klaar. De rest van de roedel vertrok ook, één voor één. De leider liet nog zon sonore brul horen.

En ineens viel het kwartje: dit was geen aanval, maar een soort teamoverleg. De boodschap was duidelijk.

Het leek bijna of de leider wilde zeggen: Doe normaal man, mensen zijn hier gewoon voor Appie, niet voor het wildmenu. En iedereen luisterde zonder discussie.

Netjes draaide de roedel zich om en verdween richting bomen. De leider liep als laatste. Voor hij tussen twee dennenbomen verdween, keek hij me nog even recht aan. Geen woede in zn ogen, alleen een soort gelaten nuchterheid. Alsof hij wist: Tja meid, dit vergeet je niet snel.

En toen was hij weg. Rust. Alleen wat gekras van de motorkap als aandenken aan dit avontuur.

Daar zat ik. Verlamd in mijn stoel. Trillende handen. En ik besefte dat ik zonder de grote grijze baas waarschijnlijk vakantiegeld had kunnen vergeten.

Zoiets maak je toch alleen in Nederland mee, hè?

Rate article