Sinds mijn twintigste knip ik haar als kapster, zeg maar. Niet geleerd op een chique school, gewoon mezelf aangeleerd. Op een gegeven moment begon ik ook nagels te doen, lekker in een kamertje in ons rijtjeshuis in Amersfoort. Zo bouwde ik telkens meer klanten op. Nooit echt een negen-tot-vijf baan, geen vaste werktijden, maar eerlijk werk was het wel. Sommige dagen was ik om zes uur s ochtends op pad en kwam pas terug als de eerste lampen weer aangingen.
Het enige probleem: ik woonde nog steeds bij mijn ouders. Mijn moeder was inmiddels gewend dat haar dochter altijd paraat stond. Boodschappen halen? Natuurlijk, ik ging. Moest er een monteur wachten? Daar ging ik weer. Familie onder de Hollandse regen naar een feestje? Gratis kapsels, want ja, je woont toch hier.
Maar toen kwam er wending in het verhaal. Mijn oudere zus, Marjolein, ging uit elkaar en verhuisde terug naar ons met haar zoontje. Stabiele kantoorbaan, prima salaris ineens was zij degene die de lakens uitdeelde. Letterlijk en figuurlijk.
Langzaam maar zeker werd mijn plek ingenomen. Mijn werkuren deden er niet toe, mijn kamer veranderde in opslag. Haar spullen overal zonder te vragen. Als ik er wat van zei, kreeg ik steevast: Zij brengt het geld binnen, meisje. Heerlijk, zon reminders.
Natuurlijk volgden daarna de commentaren. Dat haar knippen maar haar knippen was, geen serieuze baan. Geen vaste loonstrook, dus wat zeur je nou over je plek in huis?
En toch: ál mijn spullen, telefoonrekening, producten, het OV, alles betaalde ik zelf. Maar ja, in ons huishouden gold: wie de euros verdient, is de baas.
Op een avond kwam ik thuis na een hele dag klanten kleuren en föhnen in Veenendaal, en wat denk je? Zuslief lag prinsheerlijk in mijn bed. Ik maakte er wat van. Moeder bemoeide zich erbij: Niet moeilijk doen, Hanneke, je ziet toch hoe de situatie is?
Die nacht sliep ik op de bank en werd het me opeens pijnlijk duidelijk: ik was geen dochter meer. Gewoon iemand die in de weg zat.
Vanaf dat moment begon ik euros opzij te zetten, mond houden en knallen. Avonden niet uit, harder werken, soms zelfs nagels lakken bij wildvreemden aan de andere kant van Dordrecht. Twee maanden later vond ik een klein appartementje geen balkon, geen poespas, maar wel míj́n.
Toen ik eindelijk vertelde dat ik wegging, was mama boos: Ondankbare trien. Zus: Dramatisch, joh. Tja.
Nou, ik ben dus gegaan. Tegenwoordig werk ik rustiger, mijn eigen plek, geen ongewenste gasten. Niemand die roept: Je brengt te weinig binnen. Soms wel eenzaam, ja Maar nooit meer klein, ongemakkelijk of overbodig.
Heeft iemand anders dat ook wel eens meegemaakt?






