Ik ben 58 jaar en vraag me steeds vaker af wat ik met mijn overbuurvrouw aan moet. Ze woont precies tegenover mij, en het lijkt wel alsof haar belangrijkste bezigheid is om elk van mijn bewegingen te volgen. Ze weet exact hoe laat de boodschappen bezorgd worden, of het verse groenten zijn van de markt of weer die kroketten van Albert Heijn, hoeveel tassen meegenomen worden en wie ze uit de auto haalt. Zelfs als de bezorger een paar minuten te laat is, hoor ik het de volgende dag terugalsof het het NOS journaal betreft.
De controle stopt daar niet. Ze ziet het precies wanneer ik het vuilnis buiten zet, hoeveel zakken, op welke dag. Is het de ene week twee zakken, de volgende keer drie, dan volgt er prompt een opmerking. Sla ik een keertje over omdat er bijna geen afval is, wordt dat ook genoteerd. Ooit vroeg ze me rechtstreeks, schaamteloos, of ik eten weggooi. Ik stond daar maar en voelde me plots zo transparant als een ruit in de regenwanneer is mijn restafval openbaar bezit geworden?
Mijn hond is haar volgende speerpunt. Hij is geen grote lobbes, niet agressief, maar hij blaft als iemand wat te dicht bij het hek fietst. Elk blafje wordt gemeld. Komt ze aanbellen of stuurt een briefje met: “Je hond blaft echt veel als jij op je werk bent.” Bizar wordt het als ze precies weet hoe laat hij blafte, hoeveel keer en wie of wat volgens haar de aanleiding was. Soms denk ik dat zij de klok en de kalender van mijn huishouden beter in het snotje heeft dan ikzelf.
Zelfs mijn man blijft niet buiten schot. Komt hij later thuis van kantoor, hoor ik de volgende dag in de steeg: “Gister laat geworden, hè?” Komt hij eens vroeg: “Is hij ziek, ontslagen misschien?” Alles registreert ze. Alles wordt besproken. En niet alleen met mij, nee, via via komt alles weer bij mij terug, verdraaid als een kromme fietsband.
Mijn dochter, Imke, net zestien, staat ook in de schijnwerpers. Gaat ze met vriendinnen op stap, telt de buurvrouw precies wie er komen en wanneer ze weer gaan. Komt er iemand langs, dan wordt de complete agenda bijgehouden. Onlangs hoorde ik van andere buren dat ze vertelde: “Die dochter is wel heel vaak de hort op,” alsof Imke haar dochter is. Toen was de maat volik kon niet anders dan haar ermee confronteren, want dit voelde zo disrespectvol.
Het raarste is nog: dit is geen nieuwkomer. Ze woont hier, net als ik, al een leven lang. Het huis waar ik woon is van mijn moeder geweestGod heb haar ziel. Zij liet het me na; enig kind. Ik ga hier niet weg. Ik houd van mijn huis, de verhalen, de tuin waar de merels zingen. Het probleem is dus niet de plekhet is die gedwongen samenzijn met iemand die van grenzen niks wil weten.
Vandaag weet ik het niet meer. Ik heb haar genegeerd, ik ben vriendelijk geweest, zelfs kortaf, niets werkt. Ze is er altijd, als een schaduwobserverend, fluisterend, conclusies trekkend. Dus: hoe ga je met zon buur om zonder dat je jezelf verliest, zonder dat het oorlog wordt, maar ook zonder dat jouw leven speelbal wordt van iemand anders?
Heeft iemand een raad?






