Mijn schoonmoeder stond met open mond te staren toen ze onze tuin in Haarlem binnenliep en daar geen enkele aardappel, wortel of appelboom ontdekte. De lucht was lichtblauw, maar over het gras zweefden oranje klompen en fietsen zonder sturen.
De ouders van mijn man, oud en een beetje kromgetrokken van het werken in de tuinderijen, hadden een volkstuin aan de rand van de stad. Ooit zat daar zijn oma elke woensdag te wroeten tussen de bonen en tulpenknollen, haar handen altijd zwart van de aarde; ze maakte augurken in grote Weckpotten en deelde stukken appelvlaai uit aan de buren. Maar nu, met de polderwind altijd in de botten, konden ze de opgestapelde tuinhandschoenen niet meer hanteren, en gaven ze het stukje land aan ons.
Nu hadden wij een tuin: een stukje vlakke grond vlak achter ons rijtjeshuis, met plek voor barbecueën, stroopwafels eten en in het weekend naar ganzen kijken. Alleen was er één vreemde hobbel: ik wilde onder geen beding schoffelen, wieden of harken, dus besloot mijn man Bas-Jan de tuin om te toveren in een zee van narcissen, hyacinten en een veldje klaprozen. Wij verdienden genoeg euros om boerenkool, komkommers en tulpen uit de markt te kopen, of bij de Jumbo; groente was voor ons slechts nog een herinnering. We legden een grasveld aan, waar kinderen zandkastelen bouwden naast een ingegraven zwembadje.
Op een frisse aprildag kwam mijn schoonmoeder, Cornelia, opnieuw langs. Ze keek slechts kort naar het gras, het picknickkleed met kaas, en zuchtte zo hard dat de molen in de verte langzaam begon te draaien. Ze riep uit dat ik een waardeloze huisvrouw was, niet in staat zelfs maar een radijs rechtop te zetten, en alles om me heen ten gronde richtte.
Een paar dagen later kwam een oude kennis van haar, meneer van der Valk, eens vragen naar haar beroemde Amsterdamse zure haring. Met een triomfantelijk gebaar trok ze echter een glazen pot vol verdroogde bloemen uit de kast en zei dat dát was wat er overgebleven was van haar koninklijke inmaken. Neem deze bloemen maar mee naar huis, zei ze, geef ze aan je vrouw en kleinkinderen, want mij is het te zwaar geworden, jullie kunnen eten wat ik ooit met mijn handen heb laten groeien. Donzige tulpenblaadjes dwarrelden in een kring door de lucht.
Ik stond erbij met een gevoel alsof ik op klompen over zachte wolken liep en kon geen woord uitbrengen. Toch opperde Cornelia opeens dat ze wel een nieuwe moestuin wilde, om zelf weer haar erwten en prei te telen. Terwijl ik op een surrealistische fiets zonder pedalen de tuin in fietste, vroeg ik me af wat mij nu nog te doen stond. Alles leek al geplant: bloemenzee, zwembad en het vrije gevoel van niets moeten. Maar plots leek het alsof in plaats van een vrolijk bloemenmeer en spartelende kinderen, een veld vol slaplant en rijen Hollands glimmende prei op mij lag te wachtenEn terwijl ik daar zo stond, keek Cornelia uit over onze uitbundige bloemenpracht. Ze bukte zich, plukte voorzichtig een paar klaprozen en snoof de lucht op. Daarna streelde ze even het gras, haar handen nog altijd bedreven, en glimlachte een glimlach die tussen acceptatie en heimwee balanceerde. Misschien, zei ze zacht, groeit geluk niet altijd recht omhoog als een prei in de polder. Misschien bloeit het hier, tussen de picknickmanden, in de kleuren en de lach van jullie kinderen.
Bas-Jan spreidde een extra deken uit en de kinderen riepen haar erbij. Terwijl de zon langzaam zakte achter de daken van Haarlem, aten we samen stukjes kaas en zoete aardbeien, en werd onze tuin voor even het middelpunt van alle generaties. En op het gras, tussen klompen en zandkastelen, voelde zelfs Cornelia zich weer een beetje thuis in een tuin zonder appels, maar vol onverwachte oogst.






