Ik ben 42 jaar oud en getrouwd met de vrouw die al sinds mijn veertiende mijn beste vriendin was. We ontmoetten elkaar op een middelbare school in Rotterdam. Geen vonken, geen romantische spanningen. Gewoon twee pubers die toevallig naast elkaar zaten en elke dag samen doorkwamen. Vanaf het begin was het puur kameraadschap: huiswerk, pauzes, geheimen fluisteren op het schoolplein rond de fietsenstalling. Ik kende haar vriendjes, zij die van mij. Nooit was er sprake van zoenen, hints of een grens die werd overschreden. We waren letterlijk elkaars beste maatjes.
Tijdens onze tienerjaren en als jonge volwassenen gingen onze levens hun eigen richting op, als fietsen op de dijken die telkens verder uit elkaar lopen. Toen ik negentien was, verhuisde ik naar Utrecht om te studeren, zij bleef in Rotterdam. Op mijn eenentwintigste had ik mijn eerste serieuze relatie en op vierentwintigjarige leeftijd trouwde ik met een andere vrouw. Mijn beste vriendin, Femke van Dijk, zat naast mijn ouders op de bruiloft, nippend aan een glas chardonnay, terwijl haar toenmalige vriend aan haar zijde zat. We bleven bellen urenlang praten over alledaagse zorgen of kleine triomfen tussen het geraas van het dagelijks leven door, zoals het kabbelen van de Maas op een regenachtige dag.
Mijn eerste huwelijk duurde bijna zes jaar. Van buiten leek het huis in Hilversum stevig, maar binnen galmden alleen stilte, discussies en afstand. Femke wist alles. Ze wist wanneer we in aparte slaapkamers sliepen, wanneer onze gesprekken opdroogden als de vaarten in de zomer, en wanneer ik me onverklaarbaar alleen voelde, zelfs met iemand naast me. Nooit sprak ze kwaad over mijn vrouw, nooit propte ze zaadjes van twijfel tussen de straatstenen van mijn huwelijk ze luisterde gewoon, zoals ze altijd deed. Rond diezelfde tijd eindigde ook haar lange relatie en bracht ze opeens jaren alleen door, zich stortend op haar werk bij een uitgeverij.
De scheiding kwam toen ik tweeëndertig werd een langdradig, juridisch polderlandschap, met modderige emoties. Ik trok alleen in een appartementje in Amsterdam-Oost, begon opnieuw. In die periode was Femke mijn kompas: ze hielp met het zoeken naar een flatje van 900 euro per maand, sjouwde dozen Ikea-meubels, kookte samen boerenkool met worst in mijn kale keuken, zodat ik niet in de stilte hoefde te verdrinken. We noemden elkaar nog steeds vrienden, maar er sloop iets nieuws binnen: langere stiltes zonder ongemak, blikken die te lang bleven haken, een prikkelende jaloezie die we allebei ontkenden.
Toen ik drieëndertig was, bleef ze na een simpele pasta-avond hangen in mijn appartement. Er gebeurde niks fysieks, geen kus. Maar die nacht kon ik de slaap maar niet vatten, want ergens wist ik nu wat ik niet wilde toegeven: Femke was niet meer alleen die vriendin. Een paar dagen later, met het soort logica die alleen in dromen echt lijkt, vertelde Femke dat ze zich naar voelde als ik met andere vrouwen op het terras zat en het van anderen moest horen. Ze vroeg zich af sinds wanneer deze gevoelens van haar zich door haar hoofd slingerden als fietsen door de Jordaan.
Bijna een jaar hebben we geprobeerd dit niet waar te laten zijn. We spraken af met anderen, probeerden onszelf wijs te maken dat het geen liefde was het werkte niet. Steeds weer kwamen we uit waar we ooit begonnen: bij gesprekken tot diep in de nacht en het besef dat dat wat wij hadden onmogelijk te vergelijken was. Op onze vijfendertigste besloten we samen te proberen. Het begon onwennig twintig jaar vriendschap vloeide nu in iets nieuws. Er zat angst in, spanning, de vrees om alles kwijt te raken als het mis zou gaan.
Twee jaar later trouwden we ik was zevenendertig, zij zesendertig. Geen grote bruiloft in een kasteel, maar een bewuste, stille keuze in een stadhuis met regen tegen de ramen in Delft. Iedereen zei achteraf dat het overduidelijk was, dat wij voor elkaar bestemd waren. Wij zagen dat zelf nooit zo. Ruim twintig jaar lang waren we elkaars steun zonder dat er iets gebeurde, zonder grenzen, zonder hoop of verwachting. De liefde kwam pas nadat het leven zijn littekens had achtergelaten, toen we niet meer verdekt in de verte keken, maar zagen wat er altijd recht voor onze neus had gelegen.
Nu zijn we al jaren getrouwd. Het is geen droomhuwelijk, maar het is stevig als een dijk na de storm. We kennen elkaars diepste zenuwen, weten hoe we reageren als de druk stijgt zoals de waterstand na een natte herfst, hoe we ruziën, hoe we zwijgen, hoe we onze excuses mompelen met koffie in de ochtend. Soms denk ik: zonder die scheiding had ik nooit kunnen zien wat er naast me groeide. Ik ben niet uit gemak met Femke getrouwd, maar omdat zij de enige is voor wie ik nooit een masker hoef op te zetten.






